COMMENTAAR OP HET NIEUWS
Ik zat eens bij een kop koffie in een café te schuilen. Op de televisie was het middagjournaal. Het nieuws veroorzaakte lichte onrust bij de mannen die aan de bar stonden te drinken en in een roze wolk van euforie toefden. Het ging over een verdwenen meisje dat onderweg naar school door iemand in een auto was aangesproken. Over een zelfmoordaanslag in het Nabije Oosten en een uit de hand gelopen voetbalrel. De mannen hadden weinig moeite met het verwerken van al dat geweld. Alle kinderlokkers moesten gecastreerd en levenslang in een werkkamp opgesloten worden. Het Nabije Oosten moesten we in zijn geheel veroveren en annexeren, en alle mensen die daar vandaan kwamen zouden met onmiddellijke ingang teruggestuurd moeten worden. En die voetbalvandalen konden kiezen tussen werkkamp of deportatie naar een derde-wereld-land. In hun benadering verschilden de mannen achter de bar niet zo erg van de geweldplegers in het nieuws. Agressie zit in ons bloed. Het zit in onze commentaren, in spreekkoren en films, en het doordringt ons amusement.\
GEWELDDADIGE MENS
Archeologen graven oude resten op van menselijke beschavingen. Hoe oud ze ook zijn, altijd vinden we tekenen van geweld. Ommuurde dorpen, wapens, vredesverdragen, legers. Beschaving betekent rijkdom, voedselvoorraden, vruchtbare grond. Dat moet verdedigd worden tegen stammen die minder hebben, of die nog meer willen. Een clan of stam was verbonden met een territorium en daar hoorden oorlogsgoden bij. Oorlog en geweld horen bij de soort die wij zijn. Ze maken deel uit van ons mens-zijn.\
DROOM VAN VREDE
Maar er is in de mens nog iets anders, iets eigenlijk veel wonderlijker is. Op een gegeven moment ontwikkelt zich het idee dat God niet bij een stam en een bepaald territorium hoort, maar dat Hij soeverein is. Hij is wereldomspannend. Je kunt hem aanbidden waar je ook bent. In de Perzische cultuur en in het jodendom kreeg dit idee vanaf 500 voor Christus ongeveer, gestalte. In die culturen wordt steeds duidelijker uitgesproken dat ook vreemdelingen kinderen van God zijn. De buitenlander is niet bij voorbaat je vijand, je tegenstander maar hij is een medemens die met gastvrijheid tegemoet getreden wordt.
De realiteit van de oorlog hoort bij de mens, maar zijn droom van vrede evenzeer. Het is niet toevallig dat dit grootse concept zich bij de Joden ontwikkelde. Zij waren immers zelf gedeporteerd naar den vreemde. Ze waren zelf vluchtelingen geweest in Egypte en Babylon. Ze hadden geleerd van de geschiedenis: wees gastvrij jegens vreemdelingen, want zelf ben je vreemdeling geweest!\
BRIEF IN OORLOGSTIJD
De oude Johannes schrijft zijn Apocalyps. De man moet vreselijk bedroefd zijn geweest. De berichten die hem bereiken drijven hem tot wanhoop. Christenen worden in de Romeinse arena gemarteld en gedood. Ze zijn gehaat. Men beschhouwt hen als staatsvijanden. Daarbij willen ze werkelijk geen kwaad doen. Johannes moet een hard hoofd gehad hebben in de toekomst. De Romeinen zijn oppermachtig. Militair zijn ze superieur in de hele wereld. Het leven aan het keizerlijk hof is decadent en staat in schril contrast met het lot van armen.
Johannes wil een brief schrijven om zijn arme leerlingen een riem onder het hart te steken. Hij schenkt ze een droom. De Apocalyps, een visioen van verschrikkingen, van paarden die dood en verderf zaaien, van pest en vernietiging, maar ook van eindelijke vrede.
Dat was de eerste lezing van vandaag: ‘Ik Johannes zag een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen…’
Dit is godsdienst op zijn allerbest! De dreigende geluiden over oorlog en vervolging worden niet beantwoord met een visioen van wraak, maar met een beeld van vrede. Hier stijgt de mens boven zichzelf uit. Hij reikt hij naar een hoger belang. Hier ontstaat het geloof in een God die er is voor allen.\
SOLDAATJE SPELEN
Lieve kinderen. Ik zat een boek te lezen. Het was lekker stil in huis. Ineens hoorde ik iets ritselen en ruisen in het struikgewas voor mijn raam. Ik keek naar buiten. Takken gingen opzij en ineens zag ik een groene soldatenhelm aan de onderkant van het raam wegsluipen. Ik stond snel op en maakte de voordeur heel stil open. Daar kroop Luc onder mijn raam. Hij had een helm op, zwarte strepen in zijn gezicht en een geweer in zijn hand. Zo’n groot waterpistool. Ik stak mijn handen in de lucht en riep: ‘Ik geef me over!’ Luc begon te lachen. ‘Ik hoef jou niet!’ riep ie uit. ‘Ik moet Arno doodschieten.’ ‘Zo’, vroeg ik, ‘waarom moet jij Arno doodschieten?’ ‘Hè, hè, Arno is toch mijn vriendje!’, zuchtte Luc. ‘Dan ga ik maar weer naar binnen’, zei ik. Kinderen zijn net mensen. Ze voeren oorlog en willen tegelijk elkaars vriendjes zijn. ‘O ja’, riep ik hem na, ‘geef die struik onder het raam ook maar een flinke lading uit je geweer!’