‘Ik zal mensenvissers van jullie maken’, had Jezus een paar jaar eerder tegen hen gezegd. Maar na zijn dood bleek hun dat niet mee te vallen. Ze deden hun best om mensen bijeen te brengen, hen te verzamelen rondom de idealen van Jezus, maar heel dikwijls vingen ze bot, die eerste mensenvissers. En dan bleven hun netten dus leeg. Bovendien was er in die eerste christengemeenschap ook nogal eens onenigheid tussen diverse groepen, en dreigden dus hun netten te scheuren.
‘Wat gevangen?’, vraagt Jezus wanneer ze hun boten na een nacht vergeefs werken willen afmeren. ‘Wat gevangen?’, vraagt Hij. ‘Niks’, zegt Petrus, ‘helemaal niks’. ‘Werp je net eens uit aan de andere kant, rechts van de boot’, luidt Jezus’ advies. En jawel… onverwacht raken hun netten vol. Honderddrieënvijftig vissen om precies te zijn, schrijft Johannes, en het net scheurde niet.
Het is een jaar of zestig na Jezus’ dood, wanneer de evangelist dit opschrijft om de jonge kerk (met honderddrieënvijftig groepen gelovigen?) te bemoedigen. En diezelfde bemoediging kunnen ook wij wel gebruiken. Johannes wil zeggen: de kerk is mensenwerk, en dus lijkt het soms niks uit te halen. Maar de verrezen Heer is het schip van de kerk op de golven van de tijd nabij, en door onze inzet en zijn hulp zullen de netten vol raken.
Paus Johannes XXIII, de paus van het Tweede Vaticaans concilie, die de kerk bij de tijd wilde brengen, die paus had - las ik -een heel eigen avondgebed. Soms, als het niet ging zoals hij hoopte, bad hij dat. En vaak had hij inderdaad de wind tegen van mensen die de kerk wilden bewaren zoals ze was: een goddelijk bolwerk tegenover een slechte wereld in plaats van een beweging midden in de wereld, Gods wereld, zoals ook de meeste bisschoppen toen wilden. Als het dan niet ging zoals hij hoopte, de netten leeg bleven of dreigden te scheuren, bad hij s avonds: ‘Heer, ik ga nu slapen, en laat de kerk voor wat ze is; let U nu zelf even op de winkel; het is tenslotte uw kerk'.
Het verhaal van de wonderlijke visvangst is voor paus Johannes XXIII zeker een bemoedigend verhaal geweest. En dat is het ook voor ons wie de kerk ter harte gaat. Weten dat de kerk mensenwerk is, met alle tegenvallers van dien. Maar durven ge-loven dat het ook Gods werk is, en dat Hij zorg draagt voor voile netten te zijner tijd. Maar dan moeten we, zoals Petrus destijds, ook bereid zijn onze netten elders uit de gooien; dan moeten we de bakens willen verzetten, zoals Johannes XXIII.
Petrus zag die morgen niet dat het de verrezen Heer was. Johannes opende hem de ogen voor zijn nabijheid. ‘Het is de Heer’, zei hij; en toen zagen de anderen het ook.
Iedere dag krijgen we een wereld te zien vol onrust, onenigheid, ellende, afbraak, rellen, rotzooi. In zo’n wereld zijn er mensen nodig als Johannes: zieners, die ons de ogen openen voor het vele goede dat er in diezelfde wereld gaande is. Het is de Heer, de levende Heer, die werkzaam is in een leger van goede mensen, over heel de wereld verspreid.
Als we als kerk daar geen oog voor hebben, wakkeren we de moedeloosheid aan in plaats van het vertrouwen in de levende Heer, die met ons is tot aan het einde der tijden.