De laatste tijd beleven wij grote spanningen in de Kerk. Veel gelovigen ergeren zich daaraan. En toch weten wij: waar gezond leven is, daar zijn er spanningen, dat brengt het leven met zich mee. In het evangelie lezen we dat ook in de eerste Kerk spanningen waren, tussen Petrus en Paulus, tussen de Grieken en de Joodse christenen. Tegen deze achtergrond heeft Johannes, als laatste, zijn evangelie geschreven, en daarom spreekt hij over het kleed van Jezus, dat zonder naad geweven was, en dat de soldaten niet stuk gesneden hebben en in dit evangelie spreekt hij weer over het net, dat hoewel het vol grote vissen was, toch niet scheurde. In dat kleed zonder naad, in dat grote net dat niet scheurde, ziet Johannes de eenheid van de Kerk. Het net van de Kerk, dat alle gemeenschappen en heel de wereld moet omvatten mag niet scheuren.
En de band van die eenheid, dat is de liefde tot Christus. Driemaal vraagt Jezus aan Petrus, en via Petrus ook aan ons: ‘Heb jij mij lief?’ Christus liefhebben, wat betekende dat voor die eerste generatie van christenen en wat betekent dat voor de 75e generatie van christenen die wij nu vormen?
Als wij vandaag de dag in de Kerk spreken over solidariteit, dan denken wij onwillekeurig aan de christenen van de Derde Wereld, aan Zuid-Amerika of Afrika. En dan valt ons die liefde niet zo zwaar, wij zijn wel bereid om een deel van onze goederen af te staan. Maar wat die liefde tot Christus op de eerste plaats van ons vraagt, is de liefde tot die mensen die ons het meest nabij zijn. Liefde tot onze medeparochianen, die met ons in hetzelfde bootje zitten, liefde tot onze buurparochies in hetzelfde dekenaat. Als er hier van zeven apostelen gesproken wordt en niet van twaalf, is dat niet zonder betekenis, het doet ons denken aan de zeven ker-ken van Klein-Azië, die in die tijd de hele Kerk vertegenwoordigden. Na de Goede Vrijdag waren de apostelen verstrooid, ieder ging zijn eigen weg, in zijn eigen beroep, maar hoe meer ze over het leven en de woorden van Jezus nadachten, des te beter begrepen zij, dat de Heer hen had samengebracht, hun een gemeenschappelijke zending gegeven had, en zo worden ze samengebracht door het woord van Petrus: ‘Ik vissen’, waarop de anderen zeggen: ‘Ik ga mee!’ Zij wierpen samen het net uit en als Petrus dan het net optrekt, zitten daar 153 grote vissen in. 153 grote vissen, dat is waarschijnlijk het beeld van de toen bestaande christengemeenschappen, die Petrus moest samenhouden, zonder dat het net scheurde. De overvloedige visvangst is een beeld van het apostolaatwerk van de eerste christenheid.
Maar aan deze wonderbare visvangst gaat nog iets vooraf. Zij hadden de hele nacht gewerkt en niets gevangen. Ontgoocheling hoort ook bij het apostolaat, mooi uitgewerkte methodes en geweldige inspanning in het apostolaat garanderen ook in onze tijd nog niet altijd de groei van ons geloof en de opbouw van de parochiegemeenschap. Onze netten blijven dikwijls leeg en dikwijls vissen wij achter het net.
Dan wordt op het eenvoudige woord van de man die aan de oever staat, het net gevuld. En dan, bij het zien van het overvolle net, roept de leerling die Jezus liefheeft uit: ‘Dat is de Heer.’ De apostelen hadden niet gemerkt dat Jezus aan de oever stond, en wij merken vaak ook maar heel weinig van de helpende aanwezigheid van de Heer, wij hebben ook heel dikwijls de indruk ‘dat wij nutteloos zwoegen, dat onze resultaten miniem zijn.’
De apostelen moesten bitter ervaren dat zij zonder de Heer tot niets in staat waren, maar dat zij in gemeenschap met de Heer en in gemeenschap met elkaar zich mochten verheugen in een boordevol net. Misschien vergeten wij in ons apostolaat ook al te dikwijls dat de Heer leeft, dat Hij ons werk begeleidt en zegen schenken kan, als wij samen blijven.
Petrus trekt het net aan land. Ook als mensen van alle volken hun plaats vinden in de Kerk, mag het net niet scheuren. De dienst van de eenheid, die aan Petrus en zijn opvolgers toevertrouwd is, kan ons voor scheuring behoeden, als wij maar echt samen zijn in de liefde tot Christus.