Vorige week lazen we, na het verhaal over de critische Thomas, enkele zinnen die staan precies vóór het hoofdstuk uit het evangelie van Johannes dat wij vandaag lezen:
“Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven. Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam.”
Dat lijkt op een afsluiting, het einde van een boek, het slotaccoord van een symfonie. En zo werd het vroeger ook wel gezien, en beschouwde men het laatste hoofdstuk van Johannes als een latere toevoeging. En tóch lijkt het eerder zo te zijn dat de tekst van vandaag wel degelijk bij Johannes’ tekst hoort. Het boek lijkt uit, maar het verhaal gaat verder.
Het doet mij denken aan een goede ouderwetse James Bond-film. Na de meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen in de strijd tussen goed en kwaad, van de held tegen de schurk, overwint natuurlijk de held, dank zij een aantal spectaculaire acties, maar de schurk ontsnapt, en terwijl de held van zijn vermoeienissen uitrust in een tropisch paradijs, maar heel goed weet dat de schurk al nieuwe acties aan het voorbereiden is, voelt de kijker dat het avontuur eigenlijk pas begint, en dat de film een open einde heeft, niet helemaal af is. Dat het verhaal doorgaat.
Ook bij Johannes, vandaag, gaat het verhaal door. “Na dit alles …”, zo begint het stuk dat wij vandaag lezen. Jezus verschijnt aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. Niet meer Jeruzalem, maar de streek waar ze vandaan komen. Weer terug naar het gewone leven. En dan zullen we merken dat het steeds minder over de apostelen gaat, maar dat het steeds meer over ons gaat, over ons leven, over de manier waarop wij de Verrezene herkennen.
De leerlingen zijn weer gewoon aan het werk, ze hebben de draad weer opgepakt.
– zoals wij, na de heftige gebeurtenissen van de ervaring van lijden, dood en verrijzenis van Jezus, na alles wat er in ons leven kan gebeuren, de draad weer oppakken, doorgaan met het gewone werk.
Zeven leerlingen waren er, zo schrijft Johannes, maar hij noemt maar vijf namen. Twee namen noemt hij niet, die mogen wij zelf invullen,
– dat zijn dus onze namen, van u en ik, die met de apostelen mogen delen in de ontmoetingen met de verrezen Christus.
In de ochtend staat Jezus aan het strand, maar Hij wordt niet herkend.
– zoals ook wij zoveel moeite hebben Jezus te herkennen, Jezus in onze medemens te herkennen, terwijl we toch weten:\
- “Midden onder u staat Hij die gij niet kent”\
- “Het rijk Gods is onder u, en gij ziet het niet”.
De Verrezene is in ons leven aanwezig, en wij herkennen Hem niet.
En dan, opeens, herkennen de leerlingen Jezus: “Het is de Heer!”. Waarom ? Omdat er iets gebeurd is, omdat er een teken geschied is, omdat er iets wonderbaarlijks is gebeurd: de grote visvangst.
– zoals ook wij God vaak pas in ons leven betrekken als er iets bijzonders gebeurt, pas bij een sterfgeval gaan nadenken over de geheimen van leven en dood, pas bij een geboorte ertoe overgaan in het sacrament van het doopsel het kind aan God toe te wijden, pas bij een genezing gaan denken dat het misschien niet alleen van de artsen komt.
Ja, die eerste visvangst had niets opgeleverd. Teleurgesteld waren de leerlingen met hun boten weer aan land gegaan. Een hele nacht voor niets gewerkt. En dan zegt Jezus hun: gooi het net eens aan de andere kant uit.
– zoals wij, wanneer wij soms denken dat ons leven nutteloos is, dat al onze inspanningen niets opleveren, teleurgesteld zijn, het bijltje erbij neergooien, en dat er dan iemand anders moet zijn die ons zegt: ‘ga er niet bij neerzitten’, ‘gooi het eens over een andere boeg’, ‘probeer het nog eens, misschien op een andere manier’.
En wanneer de leerlingen Jezus herkend hebben, deelt Hij met hen brood en vis. Hij vraagt hen te eten, maar uiteindelijk blijkt dat Hij het is, die hen te eten geeft. Brood en vis … aan het meer van Tiberias … nu moeten de leerlingen het toch snappen: die andere keer toen Jezus, óók aan het meer van Tiberias, óók met hen brood en vis deelde. Ja, we zijn hier op de plek van het Broodwonder (Joh. 6).
– zoals wij, bij iedere Eucharistie, net als de leerlingen vandaag, net als de leerlingen van Emmaüs, Jezus herkennen aan het breken van het brood, wanneer Hij Zichzelf als spijs te eten geeft.
Drie keer, daarna, krijgt Petrus het te horen. Drie keer heeft hij zijn Heer Jezus bij een houtskoolvuur verloochend, drie keer moet hij nu, ook bij een houtskoolvuur, niet zijn spijt betuigen, niet zijn fout herroepen, nee, zijn liefde voor zijn Heer betuigen,
– zoals ook wij, telkens weer, met de neus op de feiten gedrukt moeten worden, geconfronteerd moeten worden met onze fouten en tekortkomingen, niet om alsmaar mea culpa te zeggen, maar om ze te durven zien, jezelf te durven zien zoals je bent, een kwetsbaar mens die alsmaar in de fout gaat, maar dat het uiteindelijk gaat om de liefde. Ook in de kerk. Zéker in de kerk.
En uiteindelijk zegt Jezus dan: “Volg mij”. Jezus zegt niet waarheen. Er is ook geen ‘waarheen’ meer, er is alleen nog maar een open einde. Want hoe kan Petrus de Verrezen Heer volgen ? Petrus ondergaat een kentering in zijn leven. De visser wordt schaapherder, de schuchtere, onhandige Galileeër gaat een boodschap verkondigen die het aanschijn der aarde zal veranderen. En uiteindelijk màg Petrus Jezus dan tóch gaan volgen, namelijk op de weg van de dood, waarmee hij God gaat verheerlijken.
– en zo mogen ook wij de Heer volgen, op Zijn weg, ook al begrijpen wij de weg van het lijden nog steeds niet, tóch wetende dat de Verrezen Heer ons leidt naar een “open einde”.
Zo is de lezing van vandaag, uit het laatste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, niet het slothoofdstuk van het verhaal, maar een “open einde”, misschien veeleer het begin van het verhaal. In ieder geval het begin van óns verhaal.