Over Jezus’ kinder- en jeugdjaren vertellen de evangeliën nagenoeg niets. De volkse verbeelding heeft vrij spel gekregen om te fantaseren over zijn verborgen leven. Dat is niet zo verwonderlijk, want gelovige mensen willen zich spiegelen aan Jezus’ leven. Met alles wat ben ter harte gaat, stappen ze naar Hem toe. Het gezin is een van de belangrijkste waarden in het leven. Het ligt dus nogal voor de hand dat mensen zich afvragen hoe het er in het gezin van Nazaret toeging. Uiteraard moet alles daar voorbeeldig verlopen zijn. Vormden Jezus, Maria en Jozef immers geen heilige familie?
Nu wil ik geenszins heilige huisjes afbreken, tenzij het evangelie zelf mij daartoe dwingt. Er wordt uit Jezus’ jeugdjaren slechts één episode verteld: de reis van de twaalfjarige Jezus naar Jeruzalem. Nu bestaat de kern van dat verhaal uit… een bitsige woordenwisseling. Ruzie in de heilige familie! Je houdt het niet voor mogelijk.
Op de drempel van de volwassenheid zet Jezus de eerste stappen op zijn eigen weg. Op dat moment komt Hij in botsing met zijn ouders. Hij had inderdaad wel kunnen verwittigen dat Hij nog wat wilde nablijven in de tempel. Ligt het zo voor de hand dat zijn ouders dat hadden moeten weten? Zelfs nadat Hij het hun uitdrukkelijk gezegd heeft, begrijpen zij niet wat Hij bedoelt.
Wanneer Jezus vele jaren later aan zijn openbaar optreden begonnen is, komt zijn familie nog af en toe eens ter sprake. Ook dan gaat het er niet al te ‘heilig’ toe. In Kana geeft Hij zijn moeder een kort en vrij raadselachtig antwoord. Wat later wil zijn familie Hem weer mee naar huis nemen omdat ze denken dat Hij niet meer bij zijn zinnen is. En wanneer zijn moeder haar opwachting komt maken, vliegt Jezus haar niet meteen om de hals, maar stelt Hij de verrassende vraag wie zijn moeder dan wel is.
Kortom, de schaarse vermeldingen van Jezus’ familie in de evangeliën staan in scherp contrast met datgene wat de vrome verbeelding ervan gemaakt heeft. Ze komen er telkens weer op neer dat Jezus zijn bloedbanden nier als onaantastbaar beschouwt. Die banden worden van in zijn jeugdjaren doorkruist en zelfs helemaal in vraag gesteld door de band met zijn Vader. Het huis in Nazaret moet wijken voor het huis van de Vader, want alleen dat is heilig in de echte zin van het woord. Alles, maar dan ook alles moet vanuit de Vader herschikt worden, ook de ‘heilige’ familiebanden. Het in vraag stellen van deze laatste is voor de betrokkenen heel pijnlijk, ja onbegrijpelijk. De botsing met de twaalfjarige is maar de eerste in een hele rij. Jezus botst niet alleen met zijn latere vijanden, maar vooreerst met zijn dierbare huisgenoten. Zij zijn de eersten om zich af te vragen wie Hij dan wel is. Zij zijn de eersten die Hem niet begrijpen. Wel bewaart zijn moeder alles in haar hart. Dat is de goede plaats.