Doop van de Heer C-Jaar 2013 (13.01.) Tit 2, 11-14; 3, 4-7
Lk 3, 15-16.21f
Hij is over de Jordaan gegaan.
Beste vrienden,
Kent u het gezegde „over de laatste brug gaan“? Dat is in onze taal de plaatselijke versie van “over de Jordaan gaan”. Wie over de laatste brug gaat heeft alles achtergelaten en weet dat hij nooit meer terug kan keren. Met andere woorden: Hij of zij is gestorven
Veel ouder, en vooral veel beter gekend is de Jordaan. De betekenis van beide uitdrukkingen is nagenoeg dezelfde: Wie “aan de andere kant van de Jordaan is”, die is om zo te zeggen niet meer onder ons, hij heeft het tijdelijke met het eeuwige gewisseld. Wie dus zonder enige piëteit zegt: „ Hij of zij is over de Jordaan gegaan” bedoelt gewoon dat die persoon gestorven is. Hoe is men daartoe gekomen? Waarschijnlijk door de grote betekenis die deze kleine rivier voor het Joodse volk altijd al heeft gehad.
Om dat echt te kunnen begrijpen moeten we de geschiedenis van het volk Israël van iets dichterbij bekijken. Ongeveer 700 jaar voor de geboorte van Jezus zijn de eerste hoofdstukken van het Joodse Bijbelboek ontstaan dat later naar Josua, de opvolger van Mozes, werd vernoemd. Daar Mozes het beloofde land niet mocht betreden, en vooraf stierf, was het Josua die het volk naar Kanaän leidde. Maar om daar binnen te geraken moest het volk de rivier Jordaan oversteken. Een zeer belangrijke stap waarvan veel afhing. Voor het bouwen van een brug of voor het zoeken naar een geschikte doorwaadbare plaats wilde men de tijd niet nemen. In de Bijbel wordt het langdurige proces van de vestiging van het volk Israël in Kanaän verteld in een prachtig en meer dan kleurrijk verhaal. De priesters dragen de Ark van het Verbond, een houten schrijn waarin de stenen tafelen met de tien geboden werden bewaard, naar de rivier. Toen de voeten van de priesters het water raakten trok dat zich terug en vormde een dam. De bedding werd over een lengte van ca 50 km drooggelegd zodat het ganse volk gemakkelijk en met droge voeten de rivier kon oversteken.
Ergens komt ons dat toch bekend voor – of niet? We kennen toch het verhaal over de doortocht van het volk door de Rode Zee waar God, in de vorm van een vuurzuil voor het volk uitging. Hier aan de Jordaan is God ook aanwezig en ook deze keer zorgt Hij er voor dat het volk zonder gevaar de overkant en dus het beloofde land bereikt.
De Jordaan vormt dus de grens met het beloofde land, de toegang tot het door God stellig beloofde land van melk en honig. Het land waar geen haat en nijd meer zal bestaan en waar het volk zoals nooit tevoren vereend zal zijn. God zelf zal daar te midden van hen wonen. Als je het zo bekijkt komt iedereen die de Jordaan oversteekt in de Hemel terecht. Hij ervaart de nabijheid van God op een heel nieuwe en eigen manier.
Met dit verhaal in ons achterhoofd begrijpen we ook waarom Johannes de Jordaan uitkiest om de mensen te dopen; welke diepe symboliek hier voor de Joden tot uiting komt om in de Jordaan en niet in een willekeurige andere waterloop ondergedompeld te worden. Het gaat hier om niets anders dan om het herstel van de beginsituatie, de situatie van dat onverstoorde samenleven van God met zijn volk. God is niet meer veraf in de Tempel, steeds omringd en bediend door talrijke priesters en afgeschermd door talloze geboden en hun soms zo ondoorzichtige verklaring. Hier aan de Jordaan doet God zijn naam “Jahweh”, „Ik ben er voor jullie” terug alle eer aan. De God van Israël is de God die midden onder jullie vertoeft. Ik ben geen god die afstand neemt van de mensen. Deze God is veeleer een God van nabijheid, een God van alle dagen, van het concrete leven. Het is een God van vertrouwen, van liefhebbende zorg en genegenheid voor de mensen. Met Hem in één verbond te zijn betekent dan in de positieve betekenis: Hem dag en nacht steeds om je heen te weten – niet om te controleren, maar om ons mensen lief te hebben. Deze God neemt ieder van ons onvoorwaardelijk aan en Hij ziet ons dolgraag. Niet op de manier waarop wij mensen dat zo graag doen: “Als ge me graag ziet, dan …”; maar: “Jij bent mijn beminde dochter, mijn beminde zoon; het is zo goed dat je er bent”.
Vanuit dit gezichtspunt lijkt het me meer dan begrijpelijk waarom ook Jezus zich in de Jordaan laat dopen en waarom Hij juist hier aan zijn openbaar leven begint.
Bij de doop die Johannes doorvoert wast het water van de Jordaan Jezus’ zonden niet af. Dat hoeft niet omdat Jezus, wie zou dat willen betwijfelen, zonder zonde was. Maar hier wordt nog eens heel duidelijk gemaakt: God zelf wordt waarachtig mens, Hij wordt één van ons. Hij neemt onze werkelijkheid ernstig op, onze wereld met al haar schaduwen en met haar licht. En door het onderdompelen in de Jordaan gebeurt er nog iets. Het water reinigt Jezus niet, maar Jezus reinigt het water. Vanaf nu is er niemand meer nodig die de Ark van het Verbond tot in het water draagt opdat we ongehinderd zouden kunnen oversteken. God zelf heeft, niet meer vertegenwoordigd door de stenen tafelen, maar als echte en ware mens, de weg naar het beloofde land terug geopend.
En daarom gaat elke christenmens op het einde van zijn leven niet zo maar gewoon over die laatste brug, maar altijd over de Jordaan. Amen