Jezus werd ter dood veroordeeld als ‘Koning der joden’. Dat was althans de officiële rechtsgrond die de Romeinen aanbrachten boven het kruis. Voor her joodse sanhedrin golden andere rechtsgronden. Daar werd Jezus beschuldigd van godslastering en valse profetie. Om Hem te mogen terechtstellen had de joodse overheid echter de toestemming van de landvoogd nodig. Van blasfemie en profetie begreep Pilatus niet veel, maar toen hij hoorde dat Jezus een bedreiging vormde voor het gezag van de keizer, ging hij door de knieën. Jezus had trouwens zelf toegegeven koning te zijn, weliswaar van een rijk dat niet van deze wereld is. Ook daarvan zal Pilatus maar weinig begrepen hebben.
Jezus heeft dus zelf gezegd dat Hij koning was. Op zich kan dat volstaan om het feest van Christus Koning te vieren, al is het feest pas in onze eeuw in de liturgische kalender opgenomen, als afsluiting van het kerkelijk jaar. Toch hebben hedendaagse gelovigen het behoorlijk moeilijk met dat feest. Een koning is immers bekleed met macht, destijds zelfs met absolute macht. Bovendien had Jezus zelf heel wat bedenkingen tegen de manier waarop de groten der aarde gebruikmaakten van hun macht. Is het dan wel passend Hem ‘Koning’ te noemen? Doet her feest van ‘Christus, Koning van het heelal’ niet al te triomfalistisch aan? Is Jezus niet veeleer onze broeder die een bijzondere aandacht heeft voor zwakken en machtelozen? De ergernis over zijn koningschap is al te horen op het moment van zijn kroning en verheffing. Hij draagt een doornenkroon en wordt op een kruis getild. De omstanders hebben onmiddellijk lucht gegeven aan hun verontwaardiging: ‘Ben jij de koning van de joden? Red dan jezelf.’ Kruisiging is toch het laatste wat een koning zich laat aandoen!
Dit feest doet ons beseffen dat Jezus’ heersen ingaat tegen zowat alles wat wij ons bij dat woord voorstellen. De verwijten die op Golgota te horen waren, zijn van alle tijden. Ook wij zouden veel liever zien dat de Heer zijn macht gebruikt om de gang van zaken in de wereld te verbeteren. In het Onzevader vragen wij er telkens weer om: ‘Uw rijk kome.’ Jezus sprak voortdurend over het Rijk Gods, dat spoedig komen zou. In dat Rijk zal Gods wil geschieden, ‘op aarde als in de hemel’. Elders in het Nieuwe Testament wordt het koningschap van Christus in hymnen bezongen.
Door Christus ‘Koning van het heelal’ te noemen, drukken wij een heel sterk verlangen uit, dat zelfs Hem uit het hart gegrepen is. Hij hunkerde ernaar dat de wil van de Vader overal zou geschieden. Om dat te bereiken gebruikte Hij echter niet de gewone middelen. Hij dwong de mensen niet het goede te doen. Dat was zijn grootheid. En het zal, naar aardse maatstaven, ook altijd zijn zwakheid blijven. De verwijten van Golgota zullen blijven klinken, totdat mensen afzien van hun machtswil en Hem vragen: ‘Vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.'