7e zondag door het jaar C - 2007

C-cyclus · Tijd door het jaar · 7e zondag · groen

Beste broeders en zusters,

Vandaag horen we in het evangelie het vervolg van de zaligsprekingen van vorige week. En ook nu krijgen we geen eenvoudige opdracht van Jezus: “Bemint uw vijanden”. Hoe moeten we daar in godsnaam aan beginnen?

De eerste lezing kan ons misschien wat duidelijkheid geven. David, de latere koning van Israël, krijgt de kans om Koning Saul, die hem naar het leven staat, te doden. Maar David weerstaat aan de bekoring, want hij beseft dat dit niet Gods wil is. David heeft respect voor zijn vijand. Hij is, zoals Jezus zegt in het evangelie, barmhartig zoals de vader zelf barmhartig is.

Uiteraard wil Jezus niet dat we het kwaad laten gebeuren, dat we lijdzaam toezien. Het is hem te doen om de manier waarop we het kwaad bestrijden. Bemin je vijand betekent: word zelf geen vijand van wie zich jouw vijand noemt. Zoek geen conflict. Bestrijd kwaad niet met kwaad. Geen “oog om oog, tand om tand”.

Ook vandaag, broeders en zusters, zijn er mensen die, zelfs in extreme omstandigheden, erin slagen hun vijand te beminnen en te vergeven. Een treffend voorbeeld hiervan vinden we bij de gebeurtenissen rond de moord op zeven trappisten elf jaar geleden in Algerije. Hun prior, broeder Christian, had enkele jaren daarvoor een geestelijk testament geschreven waarbij hij zijn eventuele moordenaars bij voorbaat vergiffenis schenkt.

De zeven trappisten woonden met hun medebroeders in het klooster Onze Lieve Vrouw van de Atlas in het Algerijnse Tibhirine. Alhoewel de situatie in Algerije allesbehalve rooskleurig was voor Christenen, zeker niet toen de Islam staatsgodsdienst werd, toch bestond er een hechte band tussen de monniken en de plaatselijke islambevolking. De monniken leefden als armen onder de armen. Ze drongen hun moslimburen geen andere levenswijze of westerse technieken op. Ze toonden alleen dat ze met hen begaan waren en dat ze het beste met hen voorhadden. Hun opdracht: God zoeken in elke medemens. En het feit dat ze in een moslimland verbleven, stimuleerde hen om hun roeping authentiek te beleven.

De politieke situatie in Algerije evolueerde van kwaad naar erger. In 1993 werden alle buitenlanders met de dood bedreigd. Ook de trappisten werden aangespoord hun klooster te sluiten, zeker toen religieuzen steeds meer het doelwit werden van moorddadige acties. De trappisten weigerden weg te gaan omdat ze gekozen hadden voor solidariteit met de plaatselijke bevolking en dat een monnik daar moet zijn waar het leven op het spel staat. Want daar is hij in staat het wezen van zijn geloof het diepste te beleven. Ze bleven in Tibhirine uit liefde voor hun medemens. De broeders wilden ook geen wapens in hun klooster om hen te beschermen. In maart 1996 sloeg het kwaad toe: zeven van de negen monniken werden ontvoerd, vermoedelijk door de terreurgroep GIA. Twee maanden later werden ze vermoord teruggevonden.

Hun prior, broeder Christian, die ook werd terechtgesteld, had in december 1993, toen de situatie al heel gevaarlijk was, een geestelijk testament geschreven. Hierin vinden we de woorden uit het evangelie heel sterk terug. Hij zegt onder andere het volgende:

“Als ik ooit - het zou vandaag al kunnen gebeuren – het slachtoffer zou worden van het terrorisme dat blijkbaar alle vreemdelingen die in Algerije verblijven, wil treffen, dan zou ik graag hebben dat mijn gemeenschap, mijn kerk, mijn familie zich herinneren dat mijn leven GEGEVEN was aan God en aan dit land.

Ik zou graag hebben dat ze aanvaarden dat de enige Meester van alle leven niet vreemd kan zijn aan dit brutale einde. Dat ze voor mij bidden: hoe zou ik een dergelijk offer waardig bevonden worden? Dat ze de band leggen tussen deze dood en al die andere die even gewelddadig zijn, maar waaraan men onverschillig voorbijgaat omdat de slachtoffers naamloos blijven.

Mijn leven is niet meer waard dan dat van een ander. Het is ook niet minder waard. In elk geval heeft het niet de onschuld van de kindertijd. Ik heb voldoende geleefd om te weten dat ik mee schuld heb aan het kwaad dat in de wereld, helaas, lijkt te zegevieren, zelfs aan het kwaad dat me blindelings zou treffen.

Ik zou graag, als het zover is, in een flits de helderheid hebben die me in staat stelt aan God en aan mijn broeders in het menszijn, vergeving te vragen, en tegelijk hem die mij getroffen heeft, van ganser harte te vergeven.”

Broeder Christian pleit verder in zijn testament voor de moslims en vraagt nadrukkelijk hen niet allemaal over één kam te scheren met de extremisten.

Tot slot schrijft hij:

“ En ook jou, mijn vriend van het laatste ogenblik. Je zult niet geweten hebben wat je deed. Ja, dit DANK U en dit “A-DIEU” zijn ook gericht tot jou in wie ik het gezicht van God zie. Mogen wij elkaar als gelukkige moordenaars weerzien in het paradijs – als het God, ons beider Vader, belieft. Amen! Inch’ Allah!

Zoeken in Preken Online