Overdadig beminnen, dus ook onze vijanden (2004)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 7e zondag · groen

Jezus vraagt aan Zijn leerlingen
meer dan het gewone,
nl. een buitengewone, overdadige liefde.
De gewone levensregel
waar de meeste mensen achter kunnen staan, luidt:
“Houden van diegenen die van ons houden.
Goed doen aan wie ons goed doen.
Lenen aan diegenen waarvan wij weten
dat zij ook aan ons zullen lenen als wij het vragen.
Voor wat, hoort wat!”.
Wederkerige rechtvaardigheid, dus.
Als wij dát allemaal zouden doen,
dan zou het al heel goed zijn.

Maar toch.
Met zo’n levenshouding
zijn wij inderdaad wel in orde en in regel met iedereen,
zijn de rechten en de plichten nauwkeurig in evenwicht,
maar is er eigenlijk geen marge over voor een geschenk,
is er geen plaats voor een overdaad van liefde.
En uit onze eigen ervaringen weten wij
dat dat nu juist het leven de moeite waard maakt,
nl. die vele blijken van overdaad van liefde
die wij vanaf onze jeugd gratis en gul hebben gekregen.
Voor ons, gelovigen, kan er altijd iets gratis gedeeld worden,
iets overtolligs bij gegeven worden,
een surplus getoond worden van een hartelijke liefde,
die niet gaat tellen of berekenen.
En waarom doen wij, gelovigen, dat?
Daarvoor is er uiteindelijk maar één echte reden:
uit diepe dankbaarheid, omdat wijzelf reeds zoveel surplus
aan hartelijke liefde van God hebben ervaren.

De uitnodiging ook de vijand lief te hebben
is een ideaal voor diegenen die echt naar Jezus luisteren,
voor de leerlingen van Jezus, die openstaan voor het Rijk Gods.
Dat zijn wij, die reeds weet hebben van wat barmhartigheid is,
die reeds gevoeld hebben
dat wij tot in het diepste puntje van onze ziel door God bemind zijn.
Want wij hebben ooit op een bepaald moment van ons leven,
in al onze kleinheid en zwakheid,
gevoeld dat God ons toch stond op te wachten.
Wij hebben ervaren
dat Hij ons in Zijn barmhartige armen heeft omsloten
en ons tegen Zijn vergevend hart heeft aangedrukt.
Wij hebben gevoeld dat de goede Herder had opgemerkt
dat wij ontbraken in de kudde,
dat wij de moeite waard waren om persoonlijk te worden opgezocht
en op de schouders terug naar huis te worden gedragen.
Vermits wij zulke overdaden van liefde
zelf aan de lijve hebben ervaren,
kunnen wij niet anders dan aan iedereen verkondigen
dat Gods barmhartigheid overdadig is
en dat Zijn Liefde eeuwig duurt voor goeden, zowel als voor kwaden.
Wij hebben de barmhartigheid van de Vader ontmoet,
en kunnen daarom iets raden van wat overdadige liefde is,
een liefde die niet te verdienen is
en ook menselijkerwijze gesproken niet te begrijpen,
waarvoor wij nooit dankbaar genoeg kunnen zijn.
Het is dus, vervuld van dankbaarheid
voor de overdadige vergeving van God tegenover ons,
dat wij, christenen, goed en barmhartig willen zijn
voor al wie wij ontmoeten, voor al onze broeders,
tot en met onze vijanden.

Het evangelie vraagt niet dat wij geen vijanden zouden hebben.
Die zijn er nu eenmaal, dat moeten wij niet ontkennen.
Want, als wij ons laten leiden door onze spontane gevoelens,
dan zijn er mensen die ons kwaad hebben berokkend
of die ons duidelijk minder sympathiek lijken.
Maar het evangelie vraagt ons meer dan het gewone
en nodigt ons uit tot een buitengewone liefde.
Als gelovigen willen wij
onze houding en gedrag niet laten overheersen
door onze spontane antipathieën of sympathieën.
Echt leven berust immers
niet alleen op wat wij spontaan aanvoelen.
Echt leven berust voor ons op een positieve keuze voor de liefde,
die de tegenstellingen heel goed ziet,
maar ze juist bewust wil overwinnen,
door concrete daden van vergeving, toenadering en eenheid.
Echte liefde wil niet beperkt worden
door wat strikt en evenwichtig rechtvaardig is.
Gods barmhartigheid voor ons
heeft immers niet afgehangen van ons sympathiek gedrag.
Hij bood ons geen afgewogen, strikt rechtvaardige barmhartigheid,
maar een overdadige vergeving,
zonder voorbehoud, zonder voorwaarde en zonder berekenen.

In de meeste omstandigheden
zal het wedergeweld
nu juist niet het beste effect zal hebben.
Kwaad vergelden met kwaad is steriel.
Geweld beantwoorden met geweld
roept veelal groter geweld op.
Geweldloosheid is niet naïef of wereldvreemd,
wel tegendraads, maar uiteindelijk zeer vruchtbaar.
Mahadma Gandhi, Maarten Luther King, Nelson Mandela,
de grote geweldloze bevrijders van de vorige eeuw,
hebben dat duidelijk aangetoond.

Als wij onszelf vergelijken met anderen,
dan komen wij toch steeds tot de conclusie
dat het gelijk langs onze kant ligt.
Maar als wij ons veeleer zien in onze relatie tot God,
dan worden wij vlugger bewust
dat wij nog meer dankbaar moeten zijn
voor Zijn overdadige liefde aan ons.
Alleen van daaruit kunnen wij
aan anderen vergeven, ook aan onze vijanden.

geïnspireerd door een commentaar van André LOUF,
“Mijn Liefde is genoeg”, p. 140-143

Zoeken in Preken Online