Het was jaren geleden op een van die revolutionaire, woelige avonden van een studentenvereniging in Nairobi, in het oosten van Afrika. Men besprak hartstochtelijk de politieke toestand. Dat deden ze wel meer op de vergaderingen van de Young Christian Students. Dat leidde tot allerhande plannen. Ze volgden namelijk de methode die indertijd werd ingevoerd door de oprichter van de beweging, kardinaal Cardijn: ‘zien, oordelen en handelen’. Plotseling kwam de tekst uit het Lucasevangelie van vandaag op. Ze werd gebruikt door een studentenleider, die er om bekend stond dat hij wat links georiënteerd was. Dat betekende eigenlijk vooral dat hij wat beter geïnformeerd was over de politieke toestand dan de anderen. Hij was daarom vooral geïnteresseerd in een grondige verandering van het beleid en van het regime.
Er was te veel onrechtvaardigheid, te veel corruptie, te veel vriendjespolitiek, te veel rijkdom aan de ene kant en te veel armoede aan de andere kant. ‘Maar,’ zei hij, ‘waar praten we eigenlijk over, binnen een christelijk verband kun je daar toch niets aan doen. Het enige doel van de kerken is om de vissen uit de woelige wateren van deze wereld te vissen, om ze daar uit weg te vangen en veilig op land te brengen. Aan de woeligheid van het water wordt niets gedaan, en de ‘geredden’ gaan er aan kapot.’ Het was even stil. Het kwam onverwacht. Niemand had ooit eerder aan dat soort van exegese gedacht. Bovendien scheen het zo waar te zijn. Daar had je het: godsdienst als opium voor het volk!
Die student wist waarschijnlijk niet dat de tekst waar hij naar verwees twee keer in het Nieuwe Testament voorkomt. Eerst bij Marcus en dan bij Lucas. Die twee teksten worden verschillend gelezen. Bij Marcus (1,17) zegt Jezus - als je de tekst letterlijk neemt - dat hij zijn volgelingen tot vissers zal maken. De geredden zijn dan de vissen die door hen gevangen zijn. Marcus gebruikt dan inderdaad een vreemde metafoor als hij zegt dat vissen die gevangen werden, gered zijn. Hun leven schiet er bij in. Daar had die student groot gelijk in. Wellicht begreep Lucas die moeilijkheid toen hij zijn versie schreef. Misschien had hij hetzelfde soort bezwaren. In ieder geval komt hij met een andere redactie. Bij Lucas zegt Jezus: ‘Wees niet bevreesd, voortaan zul je mensen vangen.’ Of, als je het helemaal letterlijk probeert te vertalen: ‘Voortaan zul je ze levend vangen’.
Dat vissen vangen kan ook op een andere manier bekeken worden. Op de manier van de anglicaanse priester en psycholoog uit de school van Jung, John A. Sanford in zijn boek The Kingdom Within. Een vis is het symbool van wat er in het donkere water van ons innerlijk rondzwemt. Mogelijkheden, rijkdommen, verwachtingen, combinaties, creativiteiten, die nu nog aan ons oog onttrokken worden omdat ze - diep in dat donker - zwijgend, geheimzinnig, haast nooit gezien, traag rondzwemmen. Vissen die gevangen en gegeten, echt door onszelf opgenomen zouden kunnen worden. De apostelen zijn vissers omdat ze de inhoud van die diepten in zichzelf ophaalden, en omdat ze geacht worden anderen daarin voor te gaan. Jezus voedt de menigte rond zich verschillende malen met vis. Bij het laatste avondmaal, op het einde van de lange weg van zijn aardse leven, breekt hij brood en drinkt hij wijn met hen. Na de verrijzenis, bij het begin van de nieuwe dag, geeft hij hun vis te eten bij het ontbijt op de oever van het meer.
In de vroegste christengemeenten werd Christus gesymboliseerd als een vis, het symbool voor de totaliteit van al de innerlijke mogelijkheden die aan het licht gebracht dienen te worden. Julius Africanus schreef in die tijd al: ‘Gods bron stuwt een voortdurende vloed van levend water op, een stroom waar één vis in zit, gevangen aan een goddelijke vishaak, die de hele wereld voedt.’ Een geheimzinnige tekst, maar niet zo vreemd als ze lijkt voor de dieptepsycholoog die we - al was het maar omdat we dromen - in ons hebben. We beginnen deze week te vasten. Een tijd waarin sommigen traditioneel meer vis eten dan in de rest van het jaar. Voor de verstaander een mooi symbolisch gebaar.