“Hier ben ik”, zegt de kandidaat bij een wijdingsplechtigheid van diakens of priesters, wanneer hij bij naam naar voren wordt geroepen. En dan staat hij daar met de andere wijdelingen vóór de bisschop, die daarop de vraag stelt: “Weet gij of zij dit waardig zijn?” Het antwoord door een vertegenwoordiger van het bisdom is nooit een kort en bondig ‘ja’. Er wordt door de liturgische teksten altijd wat omheen gedraaid, en worden wat voorwaarden ingebouwd.
Alle drie voelen ze zich onwaardig. De profeet Jesaja, die het Troonvisioen van de Heer mag schouwen, en terugdeinst: “Wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen !” Paulus, die in zijn Eerste Korinthiërsbrief schrijft: “Ja, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten!”. En Petrus, die al knielend voor Jezus terugdeinst en roept: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens!”
Alle drie hebben ze iets overweldigends gezien, een overdonderende ervaring meegemaakt. Jesaja het Troonvisioen, Een overweldigend visioen, te heftig voor Jesaja, duizelingwekkend, hij voelt zich overrompeld, hij voelt zich te klein, bovendien hopeloos onrein, en onrein in een onrein volk. Paulus die de Verrezen Heer mag schouwen, wanneer hij van zijn paard wordt gegooid, en zich zó onwaardig voelt, hij, de vervolger, de folteraar, de moordenaar. Petrus die vis in overvloed vangt in diepe wateren. Ook hij voelt zich onrein, onwaardig, hij knielt voor de Heer. En Deze moet hem dan de woorden van de engel voorhouden: “Vrees niet” (Lucas 1,13.20; 2,10).
Drie wonderbaarlijke gebeurtenissen. Niet te plaatsen in het gewone leven. Niet na te vertellen. Alles overstijgt ons vandaag. Want hier hebben we geen woorden voor. En al zouden we er woorden voor hebben, niemand zou het begrijpen, niemand zou het geloven.
Dit is ook niet te plaatsen. Hier wordt een goddelijke maat uitgezet. Maar wij, wij kunnen slechts meten met een menselijke maat. De vorige week liepen we al vast op het gebrek aan ontvankelijkheid bij het volk. We hoorden hoe de mensen van Nazareth een profeet wilden die bij hen past, een wonderdoener. Maar dan wél een wonderdoener die bij hun lokaal chauvinisme past. Waarom doet hij wonderen in Kafarnaüm, en waarom niet hier bij ons, in Nazareth? Hij is toch ‘eine vaan us’? De zoon van Josef de timmerman? Aan menselijke maat wordt hij gemeten.
Bijna had ook Petrus zijn visvangst aan menselijke maat gemeten. “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen … " Maar hij gaat toch in op de vraag van Jezus.
De verhalen van vandaag zijn verhalen van “roeping”. Jesaja wordt geroepen, Paulus wordt geroepen, Petrus wordt geroepen. Wat is “roeping”? Simpelweg: je voelt je geroepen. Anderen hebben je nodig, en doen een beroep op je. En dan jóúw antwoord. Want geroepen ben je, als je in staat bent om tegen je medemens te zeggen: “wat kan ik voor je betekenen?” Hardop durven zeggen: “Hier ben ik”.
Het roepingsverhaal van Petrus is héél anders dan dat van Jesaja. Geen groots visioen, geen engelen en wierook, maar gewoon, een rabbijn uit Galilea die over paden en wegen wandelt, langs het meer van Galilea, en daar, toevallig, zo maar, mensen ontmoet. Hij roept er Twaalf. Geen sollicitatieprocedure. En ook niet de besten. Nee, Hij komt ze toevallig tegen. Heilig toeval. En om aan te geven wat de roeping van Petrus zal zijn, gebruikt hij iets dat toevallig voor hem ligt: een vissersnet. Het vissersnet om mensen te vangen, in de fuik te laten lopen. Het net dat je uitgooit, en maar zien wat je vangt ? Want je weet het niet. Het net verdwijnt onder water, en wat je uit het water ophaalt is een verrassing. Alweer heilig toeval. En er zit van alles in, in dat net, rijp en groen.
Jezus werkt met gewone mensen, met gewone dingen. Gewone mensen, niet beter dan de anderen. Ook zij die geroepen zijn tot het vervullen van een dienstambt in de kerk. Gewone mensen, niet slechter of beter dan anderen.
En Hij gebruikt gewone dingen, gewone levenssituaties. Toevallige ontmoetingen, gesprekken op straat, wandelingen door de natuur, werken voor de kost … en gewone dingen uit het dagelijks leven: een boot, een vissersnet. Een net waarmee je mensen kunt vangen, die dan weliswaar kunnen tegenspartelen, maar gevangen zitten, want je hebt hun aandacht gevangen, je hebt ze aangesproken, geïnteresseerd, geboeid. Geboeid (in de boeien geslagen), gevangen in je visnet.
Voor ons, mensen van de 21e eeuw, roept het net ook een ander beeld op, dat van het electronische net, het spinneweb, het Internet, dat mensen over de gehele wereld met elkaar verbindt via een oneindig web van verbindingen. Het visnet houdt ons allen bij elkaar, het net verbindt ons allen met elkaar. En zelfs al zou het scheuren, dan nog zouden de verbindingen van het net, via duizenden draden, ons nog met elkaar blijven verbinden.
Dank U, Heer, dat Gij ons allen hebt willen vangen in Uw net. Laat ons niet ontsnappen, en geef ons de genade dat wij via alle draden van het net innig met elkaar en met U verbonden mogen blijven.
Met gewone dingen (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen