33e zondag door het jaar C - 2001

C-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen

Stel u voor dat Jezus begin september te gast was in New York. De burgemeester en de gouverneur en de beursgoeroes en natuurlijk ook de president laten Hem heel fier hun stad zien. Vooral op Manhattan zijn ze apetrots, en ze hebben alle moeite van de wereld om niet een beetje spottend te zeggen: En, Jezus, dat is nogal eens wat anders dan dat armzalige kruis van U, nietwaar? Vierhonderd meter de hoogte in, en als we willen kunnen we nog veel hoger. Zeg nu zelf: hebben we de hemel overwonnen of niet? Maar Jezus zegt stilletjes voor zich uit: “Wat ge daar ziet: er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere zal gelaten worden: alles zal verwoest worden.” Het hele gezelschap reageert verontwaardigd, en de president zegt vanuit de hoogte: Vergeet het maar. Wat wij hier gebouwd hebben is voor de eeuwigheid. Niets of niemand kan dat verwoesten.

Zusters en broeders, ik denk dat Jezus’ luisteraars zo’n 2OOO jaar geleden ook met ongeloof, gekrenkte trots en spot hebben gereageerd toen Hij het had over de vernietiging van de tempel. Hoe zou zo’n stevig bouwwerk ooit vernield kunnen worden. Het antwoord kwam in het jaar 70, toen de Romeinse bezetter de tempel, die de trots was van koning David en van elke rechtgeaarde jood met de grond gelijk maakte.

Zusters en broeders, dit stukje evangelie wil helemaal niet aantonen dat Jezus gelijk had, zeker niet. Jezus voorspelt hier zelfs niet eens de toekomst. Hij zegt gewoon: Niets menselijks is eeuwig, alles is vergankelijk. Die waarheid past Hij toe op de tempel van Jeruzalem, omdat die in de overtuiging van de joden nu eenmaal onaantastbaar was. En in de rest van de lezing doet Jezus ook helemaal geen voorspelling over het einde der tijden, zoals lang is gedacht. Hij geeft alleen een bijna filmisch beeld van dingen die door de natuur worden veroorzaakt, zoals aardbevingen, en vooral van dingen die door de mens worden veroorzaakt: strijd van volk tegen volk, hongersnood, pest, moord en doodslag, en verraad, zelfs binnen de eigen familie. Ook die dingen, ook die verschrikkingen maken deel uit van de mens en van de wereld zegt Hij, maar als ge mijn volgeling wilt zijn, gedraag u dan anders. Hoe anders?

Geloof om te beginnen niet in valse profeten. De profeten van het geweld, van de oorlog, van de terreur, of de profeten van-het-altijd-goede-nieuws, zij die u de hemel op aarde beloven, of de profeten van het eigen ras en het eigen volk, of de profeten van iedereen moet maar voor zichzelf zorgen, en wie dat niet kan, die heeft pech; ’t is allemaal hun eigen schuld als ze arm of ziek of hongerig zijn. Geloof ze niet, al die valse profeten.

En als er oorlogen en onlusten zijn, als ge ziet hoe ons milieu verloedert; als, ook bij ons, de armen altijd maar armer en de rijken altijd maar rijker worden; als mensen en godsdiensten van elkaar vervreemden of elkaar zelfs naar het leven staan, denk dan niet meteen dat het einde nabij is. En als duizenden door een streep van een of andere rijke of politieke pen werkloos worden, als zelfs kinderen beginnen te moorden, als jongeren zichzelf en anderen gedachteloos of moedwillig te pletter rijden: word niet moedeloos. En als de kerken leeglopen, als het ongeboren leven bedreigd wordt door abortus en het eindigende leven door euthanasie, ga dan niet aan de kant staan. Blijf geloven in God en in zijn schepping. En vooral: doe er iets aan. Wijs leugen, geweld en onrecht af, kom op voor waarheid en rechtvaardigheid. En weet dat sommigen daarom vervolgd zullen worden: zij die opkomen voor vrede, voor mensenrechten, voor eerlijke handel, voor ontwapening, voor godsdienstvrijheid, voor eerbied voor het leven. Sommigen zullen in de gevangenis belanden, of zelfs gedood worden. Maar blijf standvastig, want Ik zal bij u zijn. Ik zal U een taal en een wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken. Want hoe onmenselijk ook het geweld, hoe dodend ook de wapens, hoe moordend ook de bommen, hoe wreedaardig ook de terreur, hoe groot ook de leugen: de waarheid en de goedheid, het geloof en de hoop zijn altijd sterker, want zij zijn in en van God, en God is en blijft standvastig en trouw aan zijn schepping. Altijd.

Zusters en broeders, misschien denkt ge nu: heel mooi wat ge allemaal zegt, maar de werkelijkheid is iets anders. Begin maar eens iets tegen al het negatieve rondom u. Ge zult rap weten hoe laat het is. Welnu, laat me daar met één enkel voorbeeld op antwoorden: onze eigenste pater Damiaan. Wat hij deed was menselijk gezien pure waanzin: hij alleen tegen heel de wereld, die eens en voorgoed beslist had dat melaatsen moesten afgezonderd worden en aan hun lot overgelaten. Damiaan nam dit niet aan: ook melaatsen zijn kinderen van God, dus onze broeders, zei hij, en met de hem eigen koppige, en vooral gelovige standvastigheid zette hij door. Ge kent het resultaat: hij stierf aan melaatsheid, inderdaad, maar hij had voor zichzelf én voor de melaatsen wereldwijd wel leven gewonnen, want na hem waren en zijn de melaatsen nooit meer alleen.

Laten we doen als Damiaan, zusters en broeders, en natuurlijk ook als Christus: laten we, door standvastig te zijn, leven winnen voor onszelf en voor onze medemens. Amen.

Zoeken in Preken Online