Tijdens de oorlog hadden onze joodse medeburgers, op aanraden van hun leiders, een rugzak met de allernoodzakelijkste levensbehoeften gereed staan om als de deportatie kwam, voorbereid te zijn. Lea Dasberg, een belangrijke pedagoge en jodin, schrijft in een van haar boeken, dat haar moeder weigerde om die rugzak voor haar en haar gezin klaar te maken. ‘Als ik dat doe’ zei ze ‘dan ben ik verloren. Die rugzak in de kast betekent capitulatie, betekent dat ik toegeef, dat er geen ontkomen meer aan is. Vechten moeten we en geloven, dat we er doorheen komen.’ Haar moeder is het gelukt. Dat wil niet zeggen, dat als men maar geweigerd had met deportatie rekening te houden, men dan wel gered zou zijn. Ons voorbeeld wil niet meer zeggen dan: er zijn van die mensen! Er zijn meer voorbeelden uit de oorlog. U kent misschien het verhaal van de onderwijzer Janosz Korczack, die samen met zijn kinderen in het kamp was gestopt. Op een gegeven moment moesten de kinderen zich klaarmaken voor de gaskamer. Janosz moest zorgen dat er geen paniek ontstond. Zodoende kon hij zijn eigen leven redden. Maar dat weigerde hij en is zingenderwijs met zijn kinderen naar binnen gegaan. Er zijn van die mensen! Of als u dichter bij huis een voorbeeld wilt: een zieke hoort van de ongeneeslijkheid van zijn kwaal. Hij kan het niet geloven en hij begint een gevecht om te overleven. Het lukt! Of een ander accepteert, wat onvermijdelijk is: hij stopt zijn kwaal niet weg, raakt niet verbitterd, maar praat er openlijk over en overlegt met vrouwen kinderen. ‘Voor straks, als ik er niet meer zal zijn.’ ‘Ik leef dubbel, nu we samen weten, hoe we ervoor staan.’ Zo iemand blijft de ziekte de baas en behoudt zijn menselijkheid. Voorbeelden van mensen en hun overtuiging: dit is het einde niet!
Dat is wat Lucas ons vandaag voorhoudt. Er gebeuren allerlei rampzalige dingen en veel mensen raken in paniek. Lucas zegt daarvan: ‘Dat is geen gelovige houding.’ Hij beschrijft tussen de regels door de verwoesting van Jeruzalem. Voor de mensen van die tijd het einde van de wereld. Tegelijkertijd hebben ze ook de brand van Rome onder keizer Nero al meegemaakt en de christenvervolging daarna. En toch zullen de gelovigen blijven zeggen: dit is het einde niet. Deze rampen, dit soort mensonwaardigheid zal het laatste woord niet hebben.
We weten niet hoe het u vergaat, maar we zullen nog wel in paniek raken. Ziekte aan ons eigen lijf of dat van onze dierbaren; ongeluk, financiële problemen, relatiemoeilijkheden; dan schudt je hele bestaan op zijn grondvesten. Alles waarvoor je geleefd hebt wordt weggeslagen. Laat je niet van de wijs brengen, want zoiets heeft niet het laatste woord.
Het is jammer, denk ik, als met name de oudere generatie dat niet voldoende kan voorleven aan de jongeren. Vaak leven wij alsof deze wereld en alles wat er in is, wel het laatste woord heeft. Soms blijkt dat in een felle consumptiedrang, soms door je terug te trekken op je eigen kleine erf. Het is jammer dat we zo’n levenshouding aan een nieuwe generatie meegeven. Want wil het geloof, godsdienst, kerk voor jonge mensen nog van belang zijn, dan moeten wij als geloofsgemeenschap laten zien dat er meer is dan bezit, eigen gelijk, macht en aanzien. We moeten laten zien dat het hier-en-nu niet het eindstation is, dat we onderweg zijn, Gods volk onderweg.