Op deze laatste gewone zondag van het kerkelijk jaar, broeders en zusters, belanden we weer in hetzelfde hoofdstuk van het Lukasevangelie als waar we op de eerste zondag van de Advent begonnen zijn, namelijk in hoofdstuk 21, de toespraak van Jezus over het einde der tijden. Zo wordt elk liturgisch jaar omkaderd door dit uitzien naar de voltooiing van de heilsgeschiedenis. Zo mondt bovendien elk liturgisch jaar uit in de Advent van het volgende: de verwachting van de wederkomst des Heren op het einde der tijden gaat over in de verwachting van zijn komst hier en nu in ons bestaan, die we gedenken met Kerstmis.
Alle teksten uit onze evangelies hebben de mensen uit alle tijden van de geschiedenis tot speculaties aangezet over het hoe en wanneer van het einde der tijden. Zo ook nu weer, we lezen het in de kranten. In feite echter spreekt Jezus helemaal niet over het hoe en wanneer daarvan.
Het enige wat Hij de mensen onder ogen wil brengen is dat de vergankelijkheid van het aardse voor de mensen een waarschuwing moet zijn en hen moet doen denken aan het onvergankelijke bovenaardse, aan God en de werken Gods. Wij mensen komen zo gemakkelijk onder de indruk van grootte en rijkdom, van machtige monumenten en grootse natuurverschijnselen en telkens laten wij ons daardoor op een dwaalspoor brengen. Terwijl toch alles ten ondergang gedoemd is en eenmaal in stof en as vergaat, houden we ons daaraan vast. “Meester, hoe en wanneer zal dit gebeuren”, is een vraag die de mensen op de lippen bestorven ligt. Jezus, die geheel van de gedachte aan het einde vervuld is, wijst wel onverbiddelijk op dit einde, maar niet op het ‘hoe’ en ‘wanneer’. Jezus weigert in zijn antwoord een tijdstip aan te geven en leert, dat er van deze komende tijd geen duidelijke tekenen bestaan. Door niets en door niemand moeten de mensen zich iets laten wijs maken. Niet door valse profeten. Zoals er valse messiassen opstaan die verkondigen: Ik ben het; en: de tijd is nabij, zo zullen er altijd weer sectariërs zijn, misleiden en misleiders, bedrogenen en bedriegers, die berekeningen maken en openbaren, waarmee ze de massa’s tot onrust en op een dwaalspoor brengen. Loopt hen niet achterna, zegt Jezus. Trouwens hun berekeningen zijn nog steeds niet uitgekomen.
Niet door katastrofen. Er zullen altijd weer oorlogen en opstanden zijn, strijd van volk tegen volk, van rijk tegen rijk. Bij deze historische katastrofen komen de natuurrampen, aardbevingen, hongersnood, epidemieën. Verder zeldzame natuurverschijnselen aan de sterrenhemel, zonsverduistering, onheilspellende kometen en dergelijke. Dat alles betekent niets. Jezus zegt nadrukkelijk: “Ook dan nog komt het einde niet dadelijk”. Al deze dingen zijn geen voortekenen van het einde, dit is niet de geest van de Heer. Van God uit gezien zijn ze gedeeltelijk een straf voor onze zonden, of een gevolg van onze zonden, of een natuurlijk gevolg van de constellatie van het geschapen heelal, gedeeltelijk ook een waarschuwing zich niet te zeer aan de aarde en het aardse te hechten. Maar het zijn geen voortekenen van het naderende einde. Ook niet de kerkvervolgingen of geloofsafval.
Jezus voorspelde dat dit zal gebeuren. Men zal de apostelen en zovelen na hen in de gevangenis werpen en voor rechters slepen. Ze worden door hun eigen bloedverwanten in de steek gelaten en aangeklaagd. Ja, Christus woord bevat zelfs een ongehoorde en schokkende voorzegging: “Omwille van mijn Naam zult gij bij allen gehaat zijn”. Maar ook dat mag de mensen niet verontrusten. Zelfs niet in het uur van gevaar, want God zal hen welsprekendheid en wijsheid geven, zodat ze de gelegenheid kunnen benutten om getuigenis af te leggen. God zal hun beschermer zijn, en wanneer ze volharding bezitten en stand houden, zullen ze in het sterven van hun lichaam het leven van hun ziel redden. Gods bijstand zal inwendig zijn door innerlijk licht en innerlijke kracht. Al deze gebeurtenissen: het optreden van valse profeten, het uitbreken van rampen, het woeden van vervolgingen zal men in de loop van de geschiedenis steeds opnieuw tegenkomen. Zij behoren bij de geschiedenis van het mensdom en van de kerk van Christus. Zij zijn geen tekenen van iets buitengewoons, en geen bewijs dat het einde voor de deur staat. Dat dit einde komen zal, is zeker, maar wanneer dit gaat gebeuren weten we niet. Het geloof geeft ons zekerheid aangaande het feit. Wie echter over het tijdstip zekerheid wil geven spreekt niet uit het geloof. De christen gaat zijn weg door al deze moeilijkheden, rampen en strijd, hij is een gewaarschuwd man en moet daarom ook een waakzaam mens zijn. Steeds bereid om de Heer te ontmoeten. Steeds paraat om zijn zusters en broeders te wijzen naar de Heer, om te getuigen van die Heer. En zo op aarde al één grote liefdeband scheppend, het enige klimaat voor geluk en vrede. Het wanneer en hoe van Christus’ wederkomst is dan niet belangrijk. Belangrijk is alleen dat wij allen met Hem verenigd kunnen worden.
Broeders en zusters, het is onze taak daar nu al aan te werken. Uitzien naar Christus’ wederkomst is niet met de handen in de schoot gaan zitten, maar, wakend en biddend en werkend aan de vernieuwing van deze aarde steeds bereid zijn Hem te ontvangen.
33e zondag door het jaar C (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 33e zondag · groen