Zusters en broeders,
Wellicht heeft de mens nooit meer aandacht besteed aan zijn lichaam dan vandaag de dag. Fietsen, joggen, wandelen, aerobic, zwemmen, modderbaden, dieetvoeding, schoonheidsproducten …: het kan niet op. En lukt het nog niet, dan is er nog altijd de geneeskunde, want die heeft pilletjes en zalfjes voor al onze kwaaltjes. Ons lichaam wordt gekoesterd alsof het duizend jaar meegaat. Het is dan ook des te merkwaardiger dat meer en meer mensen van oordeel zijn dat de dood het einde betekent van de mens en zijn zo verzorgd lichaam. Dood is dood, en daarmee gedaan, zeggen velen.
Zusters en broeders, zo eenvoudig kan het natuurlijk niet zijn. Dood en verrijzenis roepen bij ieder van ons vragen op, in deze novembermaand, en zeker op deze elfde november, waarop we het einde herdenken van een vier jaar durende massale moordpartij, misschien nog meer dan anders. Is er leven na de dood? En hoe moeten we ons dat leven voorstellen?
Het zijn vragen die ook de joden bezig hielden, en ook onder hen waren er die niet in de verrijzenis geloofden. De Sadduceeën bijvoorbeeld. Ge hebt gehoord hoe ze met een absurd voorbeeld de verrijzenis belachelijk willen maken. Ge hebt ook gehoord hoe Jezus hen in hun eigen redenering pakt: beste Sadduceeën, zegt Hij, jullie geloven alleen wat aan Mozes is geopenbaard. Welnu, hoe heeft Jahweh-God zich in het brandende braambos ook weer aan hem kenbaar gemaakt? Als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob. De God dus van de stamvaders van het joodse geslacht, en die waren in Mozes’ tijd al honderden jaren dood. En toch stelt Jahweh zich als hun God voor. Dus zijn ze niet dood, want God is geen God van doden, maar van levenden.
Zusters en broeders, op dat woord van Jezus kunnen we vertrouwen. We verdwijnen niet in de leegte van het niets. God is niet bezig met een dodelijke afrekening. Hij heeft bij de schepping ja gezegd tegen het leven, ook tegen ons leven. Waarom zou Hij dan na verloop van tijd nee zeggen? Waarom zou Hij het leven vernietigen dat Hij zelf heeft geschapen? Onze God is geen cynische machtswellusteling, die leven schept puur om het genot het nadien weer te kunnen vernietigen. Eerlijk gezegd, voor zo’n God zou ik bedanken. Maar zo is onze God niet. Twee weken geleden hoorden we in de eerste lezing, uit het boek Wijsheid: Gij houdt van alles wat bestaat, en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt. En Jezus herhaalt voortdurend dat God onze Vader is. Welnu, welke Vader zou zijn kinderen de dood injagen? Dat doet geen enkele vader, dus zeker onze goddelijke Vader niet. We zullen verrijzen, we zullen leven na onze dood.
Hoe zullen we leven? Vroeger kon men daarover vertellen of men net het weekeinde in de hemel had doorgebracht. We zouden met palmen zwaaien en alleluia zingen, en tussendoor rijstpap eten met gouden lepeltjes. Zusters en broeders, ik moet u iets bekennen: het mag een wonder heten dat ik katholiek ben gebleven met zo’n hemel. Dat van die palmen, dat zag ik nog wel zitten, vooral omdat ik er zeker van was dat ik er wel zou tussenuit knijpen als het op zwaaien aankwam, maar die rijstpap, die was er te veel aan: ik heb nooit rijstpap kunnen eten, als kind niet, en nu nog niet. En dat zou dus het hoofdmenu worden in de hemel. Ik mag er niet aan denken.
Laten we die vroegere voorstellingen dus maar vergeten, en zien wat Jezus vertelt. Op het absurde voorbeeld van de Sadduceeën met dat zevenvoudige huwelijk antwoordt Hij dat de verrezenen niet huwen, dat ze ook niet sterven, dat ze als engelen zijn, en kinderen van God. Vaag, dat wel, maar duidelijk genoeg om te zien dat de verrijzenis een nieuw leven is, dat afwijkt van het onze, en een nieuwe schepping waarvoor geen mensenwoorden bestaan, omdat ze van een niet-menselijke orde is. De situaties zullen anders zijn dan nu, zegt Jezus, dus zullen er ook andere oplossingen zijn.
Ik weet het, het blijft vaag, en dat heeft Jezus ook zo gewild, juist omdat het leven na de dood van een andere orde is. Laat dit maar aan de wijsheid van de Vader over, lijkt Hij meteen te suggereren. Maar toch kan ik het niet laten even naar Jezus’ eigen verrijzenis te verwijzen, en een korte episode uit het Lukasevangelie te lezen. “In de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij u.’ In hun verbijstering en schrik meenden zij een geest te zien. Maar Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt gij ontsteld en waarom komt er twijfel in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast mij en kijk: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat ik heb.’ […] Toen vroeg Hij hun: ‘Hebt ge hier iets te eten?’ Ze reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; hij nam het en at het voor hun ogen op.”
De deuren waren gesloten, en toch stond Jezus ineens in hun midden, maar Hij is geen geest, want Hij toont hun zijn doorwond lichaam en vraagt hun iets te eten. Misschien krijgen we hier een voorafbeelding van onze eigen verrijzenis: herkenbaar als mens, en toch anders. Zoals Paulus zegt in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid.”
Zusters en broeders, sterven doen we elke dag een beetje meer. Onze dood begint al bij onze geboorte, maar bij ons doopsel begint meteen ook onze verrijzenis, en door ons geloof verrijzen we elke dag een beetje meer. Verrijzen doen we ook door ons leven waardevoller te maken, door onszelf en onze wereld leefbaarder te maken, en meer gericht op God en op elkaar. Dat is een absolute opdracht, want je kan zonder meer het volgende stellen: waar geen leven is voor de dood, daar zal ook weinig zicht zijn op leven na de dood. Laat ons leven hier op aarde dus de voorhoede zijn van ons eeuwig leven bij God. Amen.