De Sadduceeën komen Jezus met een vernuftige strikvraag lastigvallen. Zij geloven niet in de opstanding van de doden. Ze tonen spitsvondig aan dat een dergelijk geloof absurd is. Zijn de Sadduceeën dan zonder meer ongelovig? Zo vlug mag dat niet gezegd worden. Zij geloven wel in God, maar niet in de opstanding van de doden. Dat laatste is hun te hoog gegrepen, daar kunnen ze met hun verstand niet bij. Het redeneren maakt hen niet zonder meer ongelovig, maar wel sceptisch tegenover de opstanding. Hun verstand gaat zozeer op hun ‘geloofs-longen’ duwen dat ze in ademnood raken en een tekort aan ‘geloofs-zuurstof’ krijgen.
De opwerpingen van de Sadduceeën zijn ons uit het hart - of juister: uit het verstand - gegrepen. Velen van ons willen wel in God geloven, maar bepaalde geloofspunten botsen zo hard tegen het verstand aan dat ze niet langer aannemelijk zijn. Ons verstand werpt barricades op. Zo zijn er ook nu heel wat mensen die wel in God geloven, maar niet in een leven na de dood.
Dan is het moment gekomen om aandachtig Jezus’ antwoord te beluisteren. Op de vraag van de Sadduceeën antwoordt Hij niet rechtstreeks. Wel trekt Hij hun geesten open voor ‘de andere wereld’, die zo anders is dat zelfs de grondvoorwaarden om dit leven in stand te houden - huwen en ten huwelijk gegeven worden - daar niet langer gelden. Daar, in die ‘andere wereld’, geldt ook die andere grondwet van het leven niet meer, namelijk dat leven moet sterven. Voor God kan wel wat voor ons verstand niet kan: dat leven niet meer moet sterven. Hij is immers ‘geen God van doden, maar van levenden’.
Dat is geen rechtstreeks antwoord op de vraag van de Sadduceeën. Ook wij blijven met een reeks onbeantwoorde vragen zitten. Jezus weet dat. Hij verbiedt ons niet verstandige vragen te stellen en Hij geeft niet altijd de antwoorden die ons verstand bevredigen. Maar dat weerhoudt er Hem niet van onze geest en ons hart te richten op een werkelijkheid die zoveel groter is dan wij kunnen omvatten en zo anders dan wij (kunnen) denken. Hoogstens kunnen we een en ander vermoeden. Zo durven wij in onze beste momenten te hopen dat geliefde mensen niet zomaar in de dood ten onder moeten gaan. Misschien is Gods liefde wel zo groot dat allen die het leven van Hem gekregen hebben, het voor eeuwig zullen mogen behouden. Maar hoe dat dan zal zijn, daar kan ons verstand niet bij.
Of gaat het hier niet zozeer om verstand, maar wel om vertrouwen en durf? Vraagt het evangelie ons niet in de eerste plaats te durven geloven en aanvaarden dat Gods liefde inderdaad zo groot is en dat Hij alles ten goede zal keren? Paulus zegt: ‘Laat de Heer uw harten richten op de liefde van God en de standvastigheid van Christus’ (2 Tes 3,5). De liefde van God zal ons op weg zetten naar die ‘andere wereld’ en de standvastigheid van Christus zal ons de moed geven om het in dat geloof en die hoop vol te houden…
Verstand en geloof
C-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen