Handreiken (2001) 1

C-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

Een heel groot gedeelte van alle ooit geschreven en daarna soms verfilmde boeken gaat over misdragingen van sommige mensen: moord, ontrouw, bedrog, gierigheid en nog veel meer. Men probeert ze wel eens samen te vatten in 7 zogenaamde hoofdzonden, die de oorsprong zouden zijn van alle andere, maar voortdurend worden er weer nieuwe schurkenstreken bedacht en beschreven. Daar blijft het niet bij want we willen graag dat aan het slot van het liedje de misdadiger te grazen wordt genomen. De moordenaar wordt om zeep gebracht, de ontrouwe in de steek gelaten, de bedrieger wordt bedrogen of raakt achter de tralies. We vinden samen dat misdaad en straf in evenwicht moeten worden gebracht, geen pardon, de beuk er in. Dat is niet zo moeilijk want we kennen de misdadiger toch niet.

Het wordt moeilijker als we die wel kennen en als wij zelf het slachtoffer zijn. Wat moet er gebeuren met de afdelingschef? Je hebt een rapport gemaakt met aanbevelingen, maar hij gooit het in de prullenbak uit angst dat je promotie zult maken. Je hebt bij een dealer of een ambtenaar een aanvraag ingediend, maar na maanden blijkt die gewoon ergens bij het stapeltje gelegd om je toch vooral te laten voelen dat je afhankelijk bent. Toestanden om uit je vel te springen.

We komen ze dagelijks tegen soms in eigen familie- of vriendenkring: mensen die ons het leven zuur maken en die we naar de hel zouden willen wensen. In elk geval nemen we veel of een beetje wraak om, als de kans zich voordoet, de verhouding naar ons gevoel in evenwicht te brengen. Misdaadboeken zijn niet meer zo interessant als de misdadiger tot inkeer komt en spijt betuigt, terugkeert op zijn schreden, op zoek naar een uitgestoken hand die met hem of haar verder wil gaan. Wat moet je daar mee aan? Vergeten hoeft niet en kan ook niet, maar een samenleving is onmogelijk als ook degene die z’n fouten wil herstellen voorgoed naar de mestvaalt wordt verwezen. Trouwens iedere mens komt zelf ook nog eens aan de beurt, misdraagt zich meer of minder tegenover een ander. Dan mag toch gehoopt worden op de mogelijkheid van nieuwe toenadering, van herstel.

Christenen bidden in het “Onze Vader”: “Vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Vergeven is zo moeilijk dat God van onze mate van vergiffenis schenken niets kan leren. “Zoals wij aan anderen schuld vergeven”, dat is dikwijls ver van hoe het zou moeten zijn. We mogen hopen dat God daar ver bovenuit gaat.

Vandaag wordt ons verzekerd dat dat ook zo is. Waar mensen al lang de poort zouden hebben dichtgegooid, daar blijft ze bij Hem altijd ver genoeg open om opnieuw binnen te komen voor wie dat werkelijk wil. Dat was het geloof het godsvolk ver vóór onze jaartelling: “Hij let niet op de zonden van de mensen opdat ze tot inkeer komen”, lazen we. Dat werd door Jezus van Nazareth meer dan eens en vandaag in het verhaal van die kleine bedrieger Zacheüs nog eens uitdrukkelijk onderstreept.

Iemand die het geloof in een eindafrekening ter zijde heeft geschoven zal misschien de schouders ophalen over deze geruststellende mededeling. Dan nog blijft staan dat Gods manier van omgaan met misdadige, mensonvriendelijke, mensen de enige manier is om te voorkomen dat onze wereld één geestelijk of fysiek bloedbad wordt. Vandaag en elke dag zoekt iemand naar onze uitgestoken hand om de ommekeer te bezegelen. Kwestie van opletten.

Zoeken in Preken Online