31° Zondag C (2013)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

Geld maakt niet gelukkig - zegt men. Geld maakt niet gelukkig - “Maar het maakt wel een hoop goed” zei mijn moeder er altijd achteraan - met de nodige jaloezie in haar stem, want met haar vijf kinderen werd zíj regelmatig geconfronteerd met háár bepérkte financiële mogelijkheden.

Ja. Geld. Dat is me wat. Money makes the world go round. Alles draait om geld in deze wereld. Zowel het hébben ervan, het willen behouden ervan, het willen vermeerderen ervan áls het níet-hebben ervan, of het naar eigen gevoel onvoldóende hebben ervan - in een mensenleven kan het allemáál uitgroeien tot een obsessie. Mensen, rijk zowel als arm, kunnen zoals oom Dagobert Duck allemáál dollartekens in hun ogen hebben. De inhoud van de portemonnee en de hoogte van de bankrekening verschilt, maar de obsessie met geld kan dezelfde of in elk geval vergelijkbaar zijn. Een vriend van mij is nu dominee in Zwitserland, vroeger in Frankrijk. Zwitserse dominees verdienen schéppen geld. In bepaalde kantons wonen ze in huizen met een speciaal soort luiken. De katholieke priesters in Frankrijk daarentegen hebben vaak geen cent te makken. Het is “presque misère” heeft Michel eens gezegd: Presque misère - “bijna échte armoede”. En daardoor zijn sommige Roomse priesters in Frankrijk altijd met geld bezig naar de indruk van Michel, mijn vriend, de Zwitserse dominee. Ja. Het is me wat.

Geld kan een mens gemakkelijk isoleren, eenzaam maken. Dat zien we aan Zacheüs, de “hoofdambtenaar bij het tolwezen”. Hij heeft, laten we zeggen, “een leidinggevende positie in de financiële sector”. En wél in een problematisch deel van de financiële sector. En is er een deel van die financiële sector, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk; is er een deel van die sector in het tegenwoordige Nederland en in onze wereld; is er een deel van die sector dat tegenwoordig níet problematisch is? Ook de Rabo-bank en speciaal de top daarvan is nu met een geweldige smak van dat zorgvuldig zelf-gecreëerde voetstuk van “de goede bank” gevallen. Tu quoque. Ook gij: de Rabo-bank - al even erg als al die andere. Geldwolven, allemaal. Zó wordt erover gedacht. En zó wordt erover gesproken - door mensen die misschien zelf geen haar beter zijn. Er worden dezer dagen natuurlijk veel krokodillentranen geschreid over de mensen aan de top van het bankwezen.

Geld maakt niet gelukkig. Armoede isoleert. Het maakt eenzaam. Maar rijkdom doet het ook! Zacheüs, de hoofdambtenaar bij het tolwezen, kan daarover meepraten. Hij ondervindt het aan den lijve. Ja, zélfs “aan den lijve”. Over het lijf van Zacheüs wordt ons namelijk iets kenmerkends meegedeeld in de evangelietekst, iets bééldbepalends. “Hij was klein van gestalte”, zo staat er. Zacheüs is altijd “een onderdeurtje” geweest, een kleine donder. Moet u zich even indenken wat dat in zijn leven mogelijk heeft betekend… De kleinste van de klas. Korte beentjes. Altijd: er achteraan hollen. Een grappig, een komisch gezicht wellicht. Misschien was hij wel de risée van de klas. U weet: kinderen kunnen héél lief, maar ook héél genadeloos zijn. Kinderen die gepest worden kunnen daar geweldig onder lijden. De laatste tijd is daar gelukkig veel aandacht voor. Maar: doe er maar eens wat aan… Dat is niet zo eenvoudig. Misschien heeft de kleine Zacheüs er ook wel onder geleden… Dus wie weet mensen, moet die rijkdom van Zacheüs ook wel wat góedmaken, iets compenseren, létterlijk: zijn klein-van-stuk-zijn. Hij was rijk. En hij was klein. En misschien hebben die twee kenmerken die het imago van Zacheüs bepalen, het beeld dat de mensen van hem hebben; misschien hebben die twee dingen wel álles met elkaar te maken. Door die rijkdom kan hij zich alsnog doen gelden. Kijk: ik ben óók iemand. Ik mag dan klein zijn. Jullie kijken allemaal op me neer, létterlijk. Ik ben dan wel klein. Maar ik ben ook slim. Ik zie overal kansen en mogelijkheden die júllie, domme en lompe boeren, níet zien. Ik kan tóveren met geld. Ik wéét hoe ik het naar me toe kan halen.

Zacheüs de kleine jodenman. Misschien kun je wel zeggen dat in zijn lot, dat van Zacheüs, de tragiek van het hele Joodse volk doorheen de geschíedenis zich weerspiegelt. Het uitverkoren volk. Het is bijzonder. Het is apart. Maar dat is een twijfelachtige eer. Want: het mag er om die reden vaak ook niet bijhoren dat Joodse volk. En het heeft eigen wegen gevonden om dat te compenseren. En daarom wordt het allerwegen ook bewonderd en benijd én gehaat. Ach, arme Zacheüs. Hij zit gevangen in een vicieuze cirkel, in een gouden kooi. En elke gouden tralie van die kooi heeft hij zelf gesmeed. En dat hij dat gedaan heeft is niet voor niets. Hij is daartoe ook aangezet. En wie zal die vicieuze cirkel waarin hij zit doorbreken? Wie zal hem uit die kooi verlossen?

Dáárvoor blijkt Zacheüs een bijzondere intuïtie te hebben. Als een kat klimt hij in een boom langs de route waar Jezus langs moet komen. En Jezus heeft hem onmiddelijk in de smiezen zodra Hij voorbijkomt. Jezus kijkt omhoog. Bijzonder detail is dat! Jezus kijkt óp naar de man op wie iedereen neerkijkt, die door de mensen wordt gediscrimineerd. Jezus heeft Zacheüs letterlijk hóóg. Hij ácht hem hoog. Hij éért hem door juist bij hém thuis te willen komen. Jezus ziet de héle Zacheüs. Jezus trekt zich niets aan van de beeldvorming omtrent hem of wie dan ook. Zacheüs is voor Hem, voor Jezus, véél meer dan “die marokkaan” of “die katholiek” of “die geldwolf” of wat het etiket ook maar is dat de mensen elkaar en ook zichzelf opplakken. Jezus blijft niet staan bij de buitenkant, bij de façade. Jezus kijkt naar de binnenkant van elk van ons. Hij ziet het hart. Hij ziet de goede intentie en het verlangen in elk van ons: om het góed te doen en om in liefde en vriendschap, in een gevoelvol, warm en weldadig contact met andere mensen verbonden te zijn. De mensen vinden Zacheüs een ijspegel. Maar ijzigheid is ook wat Zacheüs van jongsaf in zijn leven heeft ervaren. Daardoor is hij óók verkild. Dat is niet zomaar vanzelf gekomen. Die ijzigheid heeft een reden. Die is het resultaat van een wisselwerking. Zacheüs is in de loop van zijn leven steeds meer bevroren geraakt. Maar nu ontmoet hij Jezus en die ontdooit hem. Jezus is voor Zacheüs als een warm bad. En dát is wat hij nodig heeft.

En dat is, veelgeliefden, wat we allemaal nodig hebben: dat er met liefde en vol vertrouwen naar ons gekeken wordt. Mensen kunnen elkaar zó klem zetten, zó negatief afschilderen, neerzetten en áfserveren… Ook in de kerk zijn we daar heel goed in. Wat je soms hoort… de honden lusten er geen brood van. Neem nu zo’n kardinaal Eijk. Die heeft pater Huis in ’t Veld ontslagen. Want de pater heeft de mis niet goed gedaan, in Abcoude, op Witte Donderdag nota bene. De kardinaal heeft de pater kaltgestellt, vrij letterlijk als ik het goed heb begrepen: op een behoorlijk kille manier*.* Maar vervolgens is hetzelfde gebeurd met de kardinaal. Door de manier waarop die in de pers en door mensen in de kerk is besproken en neergezet is ook die kaltgestellt. “Ja, maar dat heeft hij over zichzelf afgeroepen” wordt dan gezegd. Ja, dat zal allemaal wel. Maar in dit soort kwesties wordt het al gauw moeilijk te onderscheiden hoe oorzaak en gevolg zich precies verhouden. Het wordt een vicieuze cirkel, een self-fulfilling prophecy - én een kooi waarin mensen elkaar gevangen zetten: de kardinaal de pater en de pater de kardinaal. En hun beider sympathisanten elkaar.

Kan dat nou niet anders? Kunnen wij niet zodanig met elkaar omgaan dat iedereen er wél bij vaart, zijn en haar fouten kan herstellen en gúl wordt, royaal, ópen; zodat in iedereen het beste kan bovenkomen? Jazeker kan dat anders. Jezus laat zíen hóe. Hij, Jezus, lééft wat de profeet Jesaja in de eerste lezing vandaag zégt over God: “Gij ontfermt u over allen. (…) Gij let niet op de zonden van de mensen, opdat ze tot ínkeer komen. Gij houdt immers van alles wat bestaat, en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt. (…) Alles spaart Gij, want alles is van U, en Gij heerst vol liefde over alles wat leeft. (…)” Heerlijke woorden! Woorden die Jezus dus leeft - door eenvoudig en welgemeend wárm en hartelijk te zijn voor Zacheüs. Als wij dat nu ook zijn voor de bankier en de kardinaal, voor de jood en voor de marrokaan en in elk geval hier voor elkaar, dan zult u eens zien wat er gebeurt…

Geld maakt niet gelukkig. “Maar het maakt wel een hoop goed” zei mijn moeder er altijd bij. En zó is het. Als wij bezield worden door het verlangen om elkaar goed te doen en geen kwaad, dan kan zelfs geld een hoop goedmaken. Mogen we in staat zijn het vóór ons en anderen te laten werken doordat we het gemakkelijk loslaten en delen. Mogen alle ijspegels smelten en alle kooien opengaan. Amen.

Zoeken in Preken Online