De gelijkenis over de Farizeeër en de
tollenaar spreekt tot onze verbeelding. De Farizeeër wordt
afgeschilderd als iemand die God bedankt dat hij niet is zoals degenen
die niet leven zoals het hoort: dieven, onrechtvaardigen, overspeligen;
of zoals die tollenaar, die op een afstand blijft staan en die zelfs
zijn ogen niet durft op te slaan naar de hemel. De Farizeeër
brengt in zijn gebed verder naar voren: ik vast vaker dan
voorgeschreven; en bovendien draag ik niet alleen van olie, koren en
wijn één tiende af, zoals dat moet; (Dt 14,22vv) , maar
van ál mijn bezittingen. Kortom: die Farizeeër - er staat:
‘n Farizeeër en niet: dé Farizeeer; het gaat dus niet over
de Farizeeërs! -, die Farizeeër ziet en betuigt zichzelf als
iemand op wie niets valt aan te merken, godsdienstig onberispelijk, en
heus niet te beroerd om behoorlijk wat weg te geven van zijn inkomsten.
Bij de tollenaar is dat allemaal andersom. Als ambtenaar in dienst van
de Romeinse bezetter int hij van de bevolking tolbelasting. Tussen
datgene wat hij van de mensen int en datgene wat hij aan de
oppertollenaar moet afdragen, liggen mogelijkheden om te knoeien en
zichzelf stevig te verrijken. De gelijkenis suggereert dat hij dat vast
wel heeft gedaan. Religieus gedrag heeft hij weinig of niets om zich op
te beroemen. En ook al heeft hij het financieel heel goed, voor de
orthodoxe jood hoort hij bij het soort mensen met wie je niet omgaat
(Lc 5,30; 7t34; 15,1). Toch is hij godsdienstig genoeg om naar de
tempel te gaan en daar te bidden. Bovendien beseft hij heel goed dat
hij niet veel meer kan zeggen dan: ‘God, wees mij zondaar genadig.’
De evangelist Lucas begint zijn verhaal met te zeggen: Jezus vertelde
deze gelijkenis ‘met het oog op mensen die overtuigd zijn van hun eigen
rechtvaardigheid en op anderen neerkijken.’ Jezus eindigt zijn
gelijkenis met: de tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis, en de
ander niet. ‘Want ieder die zich verheft, zal worden vernederd; en wie
zich vernedert, zal worden verheven.’ Maar de gelijkenis zegt nog
méér. Volgens de gelijkenis gaan wij niet gerechtvaardigd
uit de liturgische ruimte weg, als wij in ons bidden prat gaan op het
goede dat wij doen en als wij neerkijken op mensen die niet
beantwoorden aan bepaalde normen. Maar als wij beseffen dt er in ons
leven bepaalde dingen niet goed zijn en dat ook eerlijk bekennen, gaan
we wèl gerechtvaardigd naar huis. Het verschil bestaat hierin:
die Farizeeër is tijdens zijn bidden meer met zichzelf bezig dan
met de Onuitsprekelijke tot wie Hij zich richt. Meestal wordt vertaald:
‘De Farizeeër bad bij zichzelf.’ Maar beter is de nieuwste
Willibrordvertaling: ‘De Farizeeër sprak in zijn gebed over
zichzelf.’ Ook is mogelijk: ‘De Farizeeër bad tot zichzelf.
Feitelijk dóet hij dat ook. Want hij zegt alleen maar dingen die
hij zelf graag hoort. Hij is van zijn eigen bidden het middelpunt. Bij
de tollenaar ligt dat anders. Die buigt zich over wat in zijn leven een
pijnlijke werkelijkheid is. Van daaruit probeert hij zich opnieuw te
richten op de Werkelijkheid die hij toch beschouwt als het dragende
Geheim van zijn bestaan. Zo iemand is waarachtig, en in die zin
‘gerechtvaardigd’, of rechtschapen of gerechtig. Als je, ondanks wat
dan ook, probeert om oprecht contact te vinden met God, de Bron van je
bestaan, merk je vanzelf hoe moeilijk het is om niet overtuigd te zijn
van eigen gerechtigheid en hoe verleidelijk het kan zijn op anderen
neer te kijken. Daarmee worstelen is eerlijk bidden: zoeken naar God,
die niemand naar de ogen ziet, die niet óm te kopen is, die zich
niet laat misleiden, maar wiens Naam wél is:
Ik-zal-er-zijn-voor-jou-voor jullie. Reeds de eerste lezing van vandaag
onderstreepte dit. Moge het evangelie van vandaag, dat ons de
grondhouding van die tollenaar aanbeveelt, ons totaal richten op Gods
ontfermende liefde. Dan vinden wij gehoor bij God.
't Ene gebed is 't andere niet (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen