Evangelieprikje (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Een paar weken terug hadden we bij ons op de parochie de parochiale startviering. Het is een viering waarin het pastoraal thema van het komende werkjaar uitgelegd wordt en waarbij de meeste parochiale verenigingen aanwezig zijn. U weet net als ik dat dit betekent dat er dus een paar mensen in de kerk aanwezig zijn die niet zo vertrouwd meer zijn met wat er daar gebeurt als de modale kerkganger. Zo was er ook een jongeman van een jeugdvereniging die bij de oudsten van de parochie opgevallen is. Gans de viering had hij een hoed op en bij de liedjes met schwung zat hij mee te bewegen. Toen ik de dag nadien bij mijn ouders kwam, kreeg ik te horen dat dit toch niet kon, ze hebben geen respect meer en ga zo maar door … Volgens hen was hij het gespreksonderwerp geweest op de receptie achteraf. Wat kan je daar op zeggen? Ja, eigenlijk stoorde het mij ook maar wie weet er hoe deze jongere die viering zelf beleefd heeft? Het is een van de jongeren die zich het afgelopen jaar geëngageerd had om mee te werken aan de dekenale jongerenvieringen. Het is moeilijk te weten wat er in het hoofd van deze jongeman omging: was hij aan het lachen met ons geloof of vond hij gewoon dat je je in een eucharistieviering ook mag amuseren? Waren de oudsten en eigenlijk ikzelf niet wat aan het evolueren naar een soort farizeeër die vindt dat je je geloof moet uiten in afgesproken rituelen en die alles wat daar niet in past als ongehoord zien? En daarmee zitten we bij dat heel eenvoudige verhaal van Jezus dat we vandaag beluisteren. Iedereen begrijpt het, maar het is niet zo eenvoudig dit op je eigen leven te leggen, want het gaat hier over iets waar wij geen zicht op hebben: het innerlijke gesprek van mens tot God. Blijkbaar is het niet voldoende te bidden, ook de ingesteldheid van waaruit je bidt, zal de kwaliteit van je bidden kleuren.

We kennen allemaal de reclamespotjes van een bepaald watermerk waar een man of een dame op een bijzonder arrogante manier praat over ander mensen tot ze opeens een glas van het zuiverende water in het gezicht krijgen. Als we de farizeeër uit het verhaal bezig horen, zou zo’n glas van dat zuiverende water ook wel eens in zijn gezicht mogen belanden. Wat is er mis bij de man? Niet dat hij God dankt, of dat hij bidt, of aalmoezen geeft of vast, neen, Jezus vraagt dat ook aan Zijn volgelingen. Godsdienst is voor hem het navolgen van bepaalde regels en op zich is daar niks verkeerd mee, het kan een goede basis vormen voor gelovigen. Maar geloven is natuurlijk meer. Als we de farizeeër mogen geloven, dan kan hij morgen verder leven zonder god. Hij weet wat hem te doen staat, Hij heeft Gods liefde blijkbaar niet nodig, hij kan het wel zonder hem. Ziehier, een eenentwintigeeuwse gelovige, druk in de weer met parochieploeg, Kerkfabriek, liturgie, … en die zich afscheidt van de mensen (farizeeër) die niet gelovig zijn. Eigenlijk moest iedereen worden zoals hij, het ultieme voorbeeld. Dat kan misschien waar zijn, maar is God nog wel belangrijk is het hele verhaal? Het lijkt wel of de modelgelovige - die ik trouwens nog niet tegengekomen ben, en zeker al niet in de spiegel - zichzelf tot evangelie en norm verheft. Gaat het in ons gelof niet om Jezus en God?

Als ik ’s avonds alleen ben met mijn Schepper ben ik vaak ontgoocheld om wat ik alweer verkeerd aangepakt heb. Ik had me nog zo voorgenomen om bij die jongere die slachtoffer is van honderd-en-één dingen me niet kwaad te maken, maar het is weer gebeurd. Ik heb daar honderd-en-één excuses voor: ik was moe, hij was echt lastig, … maar toch, waarom slagen we er niet in lief te hebben zonder meer? En dat is maar één voorbeeld … Als ik zo begin te bidden, dan zal ik wel Iemand hebben die naar mij luistert omdat Hij aanvoelt dat ik een luisterend oor goed kan gebruiken. Als ik alleen maar iets te vertellen heb over hoe goed ik ben, is het niet echt nodig dat Hij luistert. Het is tussen mensen ook zo. Als je voelt dat iemand met iets zit, dan ga je daar tijd voor maken om te luisteren, als je voelt dat hij alleen maar zichzelf de hemel wil inprijzen, ben je vlug uitgeluisterd.

Het is denk ik verkeerd bij het lezen van dit verhaal onszelf te zien als de farizeeër of de tollenaar. Ik denk dat iedere gelovige voortdurend switcht van de ene naar de andere. In deze tijd waar het veel moed vergt om gelovig te zijn, is de verleiding groot om onszelf als de beteren te gaan bestempelen: wij hebben nog normen, wij weten nog hoe we ons moeten gedragen, wat een geluk dat ze mij hebben op de parochie, … We zijn allemaal wel eens ziek in dat bedje. Maar langs de andere kant zullen we het ook allemaal wel een meemaken dat we met beschaamde kaken voor God staan omdat we, ondanks alle goede voornemens misschien, er weer een zootje van gemaakt hebben.

In de conclusie van het verhaal roept Jezus ons op tot nederigheid, een zeer mooie christelijke deugd. Enkel wie zich klein maakt voor God als hij bidt, is goed bezig. Zich klein maken betekent weten dat men niet perfect is, maar vooral beseffen dat we het niet alleen kunnen. We hebben de anderen nodig, we hebben de Andere nodig om vergiffenis en liefde uit te putten. Wie denkt niemand nodig te hebben en dat ook luidop verkondigt, loopt het risico dat de anderen hem ook niet meer gaan nodig hebben en dus alleen eindigt, misschien even aan de top, maar de eenzaamheid en de kille kou, doen je vlug naar beneden kruipen.

Zoeken in Preken Online