De bekoring van farize

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

In de evangelies worden veel lelijke dingen gezegd over de Farizeeën. Het lelijkste is wel ‘witgepleisterde graven’ (Matteüs 23,27). Met dit etiket opgeplakt zijn ze de geschiedenis ingegaan. Ook in het Nederlands zeggen we het van iemand die we een farizeeër noemen: een schijnheilige hypocriet. Maar was de Farizeeër in de evangelische parabel zo’n hypocriet? Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat hij huichelachtig aan het liegen was toen hij in de tempel stond te bidden. Wie kan het hem kwalijk nemen dat hij zich distantieerde van de tollenaar achteraan in de tempel en God ervoor dankte dat hij anders was?
Ze zijn elkaars tegenpool, de Farizeeër en de tollenaar.

De ene Farizeeër was de andere niet. Jezus’ harde kritiek trof niet ‘de’ Farizeeën: allemaal, maar Farizeeën, zonder lidwoord: sommigen, niet de meesten. De meesten waren vrome gelovigen die zich toelegden op de minutieuze studie van de wet en er hun eer in stelden geen enkel verbod te overtreden en alle geboden tot in de kleinste puntjes na te leven. Er waren er ook die zich oprecht inspanden om méér te doen dan wat was voorgeschreven. Katholieker dan de paus, zouden wij zeggen.#996600

Veel overtuigde christenen kunnen zich zonder moeite in de Farizeeën herkennen. Ze leggen het er niet zo dik op als de Farizeeër van de parabel, maar ze proberen even oprecht hun hele levenswandel trouw en nauwgezet op Gods tien geboden en de voorschriften van de kerk af te stemmen. En ze danken God om zijn genade als ze daarin slagen.

De tollenaar kwam niet naar de tempel om God te danken. Het zou vloeken in de kerk geweest zijn. Hij vroeg om Gods genade, want hij wist te goed dat hij zondaar was. Ook in die tollenaar kunnen veel christenen zich moeiteloos herkennen. Niet voor honderd percent: ze persen de mensen hun geld niet af en zouden zeker niet samenwerken met een vreemde bezetter. Maar ze zijn zich goed bewust van hun vele, misschien erge tekortkomingen en weten zich aangewezen op Gods barmhartigheid om vergiffenis te krijgen. Ze kunnen zich spiegelen aan farizeese christenen om te zien waarin ze tekortschieten. En farizeese christenen aan christelijke tollenaars, om beter te beseffen dat ze aangewezen zijn op Gods genade.

Waarom moest de Farizeeër van de parabel naar huis gaan zonder dat hij gerechtvaardigd was, door God aangenomen? Omdat zijn dankgebed doordrenkt was van farizeïsme. Met dit woord bedoel ik hier niet scheinheiligheid. ‘Farizeeër’ komt van een Aramees woord dat ‘afgezonderd’ betekent. Hij zonderde zich af van de andere mensen, hij voelde zich boven hen verheven en wilde met hen geen uitstaans hebben. Hij noemde ze niet zonder minachting ‘roofzuchtig, onrechtvaardig, overspelig’. We zouden ons kunnen voorstellen dat de tollenaar zich aan farizeïsme te buiten was gegaan. ‘Genade, God, ik ben een zondaar! Dank u dat ik niet ben als die Farizeeër vooraan. Hij staat daar met zijn vroom gepraat op zijn smetteloos leven en zijn steun aan goede werken te pochen.’ Of neem iemand die geen voet meer in de kerk zet. ‘Ik ben niet als die zogenaamd voorbeeldige katholieken. Ik bid thuis in de stilte van mijn kamer en ik geef thuis aan goede werken.’*

Farizeïsme is een bekoring die bij overtuigde katholieken altijd op de loer ligt. Velen hebben het moeilijk om er niet aan toe te geven. Ze voelen zich beter dan de anderen die het niet zo nauw nemen, want zij lopen er de kantjes niet af, doen méér dan hun strikte plicht en pingelen er niets van af. En soms kun je zien hoe ze zich navenant gedragen: neerkijkend op mensen die ze hun achting niet waard vinden. We zouden zulke mensen (misschien ook onszelf) vriendelijk moeten waarschuwen. Kijk eens aandachtig in de spiegel. U meent het goed, maar bent u toch niet een beetje farizeeër in de Nederlandse betekenis van het woord: een beetje schijnheilig? Wie staat voor God helemaal zuiver in zijn schoenen?

Deemoed en schuldbesef mogen niemand ooit ontbreken. Iedereen, hoe heilig ook, heeft altijd verlossing en vergeving nodig. In de parabel zijn de Farizeeër en de tollenaar elkaars tegenpool. Maar in het werkelijke leven wonen ze beiden in ons binnenste: de plichtsgetrouwe mens en de mens die zijn broosheid kent. Ze kunnen elk om de beurt, naargelang van de situatie, op de voorgrond treden. Maar eigenlijk moeten we in de situatie van de ene de positie van de andere innemen.**

* Voor deze twee voorbeelden is inspiratie gevonden bij Dries Morel, Zijn verhaal is ons verhaal, Tabor, Brugge, 1993, p. 293.
** H.J. van Ogtrop, In het leerhuis van Lucas, KBS, 1991, p. 172

Zoeken in Preken Online