Wie van de twee zou u willen zijn? Ik zou de tollenaars op dit moment niet graag de kost geven! Ons ligt de rol van tollenaar wel, omdat wij weten van gebrekkigheid, weten hoezeer wij met allerlei banden zijn vastgeklonken aan deze wereld die nu eenmaal gebrekkig is. Ons ligt de rol van tollenaar ook, omdat het ons beter uitkomt, soms…: ‘Zie je wel, dat je in de kerk niet voorop hoeft te staan om toch in het verhaal van Jezus voor te komen!’
We identificeren ons wellicht liever met de tollenaar, omdat de farizeeër de minst sympathieke is; wij hebben hem huichelaar genoemd, een zelfgenoegzaam persoon. Zoiets kunnen we van anderen en van ons zelf niet goed hebben.
Tollenaar dus! Maar wat moeten we met een kerk vol tollenaars, mensen die bidden ‘Heer wees mij zondaar genadig.’ De Heer zal zeggen: ‘Zeker, ik ben genadig voor u. Ga heen en word als de farizeeër! Of wilde u misschien tollenaar blijven? Dan hoeft dat gebed ‘Heer, wees mij zondaar genadig’ niet gebeden te worden.’
Dan dus tóch maar farizeeër? Het zou ons niet misstaan, want de farizeeër staat in goede verhouding met God, met zijn naaste en met zich zelf. Zijn verhouding met God is goed, want hij verzorgt zijn gebed en is een kei in het onderhouden van de geboden. Zijn relatie tot de naasten is goed, want tien procent van zijn bezit besteedt hij aan aalmoezen. En hij heeft het goed met zich zelf, want hij vast en leeft sober.
Goed voorbeeld doet goed volgen, lijkt de boodschap. Wat is hier het probleem? Waarom zegt Jezus: ‘En deze’, wijzend op de tollenaar, ‘ging gerechtvaardigd naar huis?’ Als wij dan toch moeten veranderen, ons bekeren in de richting van de farizeeër, waarom deze man dan niet de eer gegeven? Het probleem kan wellicht als volgt geformuleerd worden: beiden zien wel in, hoe het met hen gesteld is: de farizeeër is dankbaar voor alle talenten die hij heeft ontvangen; de tollenaar weet dat hij gebrekkig is. Maar de eerste is vergeten waartoe zijn gaven dienen. De farizeeër en wij mogen onze genade - talenten en goede hoedanigheden - in dienst stellen. In dienst van wie? Zeker! Van de tollenaar, achteraan. De tollenaar, die een voorbeeld nodig heeft om te weten in welke richting hij veranderen moet.
Dus graag farizeeërs gewenst, maar dan wel mensen die God dank zeggen voor die genade. En dan de handen uit de mouwen, want al dat goede is ons slechts gegeven om het in dienst te stellen, niet om er ons op te beroemen of op anderen neer te kijken, maar eerder om een voorbeeld te zijn voor allen die zo ver nog niet konden komen.
Het probleem is, dat deze farizeeër zich beter acht met de genade, die hij van God heeft ontvangen: ‘Dank U dat ik niet ben zoals die tollenaar daarginds! Ik ben blij, dat ik met zijn ‘handel’ niets te maken heb!’
Wij, hier in West-Europa hebben rijkdom gekregen en daarmee allerlei mogelijkheden om menswaardig te leven. Veel meer dan welk ander volk op aarde ook. Maar we zijn farizeeërs in de slechte zin van het woord, als wij vergeten dat we dit alleen gekregen hebben om het in dienst te stellen van anderen. Om onze goede gaven én gebeden te lenen ten voordele van onze wereld. En daarvoor is nodig, dat je je kunt inleven in allebei de figuren, zowel de farizeeër als de tollenaar. De keuze voor de tollenaar is niet zo vanzelfsprekend. Wil daarom ook weten van de farizeeër.
Er is een schilderij waarop dit verhaal stond afgebeeld: twee mensen, de een nog al welgedaan, vroom, met een routineus bidgebaar, de ander vermorzeld en heel kleintjes, achteraan. De twee mannen hadden hetzelfde gezicht en de kunstenaar schreef er bij: ‘Dit ben ik!’ En zo is het. Twee momenten van hetzelfde bestaan. Dezelfde mens, die God dankt voor het feit dat hij zoveel heeft ontvangen én om vergeving smeekt, omdat hij er zo weinig mee doet. Het ene is het gebed van de farizeeër, het andere het gebed van de tollenaar. De een weet van dienstbaarheid, de ander is op de hoogte gekomen van bekering. Twee momenten, één bestaan, één mens, wijzelf!
Het is te hopen dat wij in West-Europa niet teveel eigendunk en eigengerechtigheid op de been brengen, zodat we niet meer weten waar onze rijkdom toe dient.
Het is evenzeer te hopen, dat die andere wereld ontdekt, welke rijkdom zij heeft aan vriendschap, aan nabijheid, aan rust en tevredenheid om die ons te lenen; want op dat vlak zijn wij helaas vaak tollenaars…
Farizeeën in dienst van de tollenaar
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen