De parochie had een nieuwe pastoor gekregen. Hij bracht de mensen door zijn preken in onrust. Sommigen, die zich zeker voelden in hun besloten christendom, klaagden: hij brengt ons in verwarring. Anderen, die nieuwe wegen wilden gaan, zeiden: hij moest nog veel ‘straffer’ preken.
Maar bij zijn preek over de farizeeër en de tollenaar werd heel de parochie opgeschrikt. Het was de kortste preek die zij ooit gehoord hadden. De pastoor las het evangelie voor, zei twee zinnen als verklaring en stelde toen de vraag: bent u de farizeeër of de tollenaar? Toen ging hij zitten en hield vijf minuten lang stilte.
Als ik dat nu vandaag ook eens zou doen? Wat zou u in de volgende vijf minuten denken? Ik kan me dat wel een beetje indenken. Jan zou vergenoegd met een scheel oog naar Peter kijken, die twee rijen voor hem zit en denken: dat is een goede vraag voor die farizeeër, die zit daar altijd vooraan in de kerk terwijl hij buiten de kerk de mensen bedriegt waar hij kan. Dat noemt zich dan een christen.
Marieke zit verkneukeld te kijken naar Anna: wat zal die nu denken? Zou ze niet gezien hebben dat de pastoor juist haar in het oog had toen hij die vraag stelde? Dat ze nu maar eens een antwoord geeft. Die kwezel, ze bidt haar rozenkrans in stukken en ondertussen haalt ze met haar vuile tong iedereen over de hekel. Dat ze nu maar eens haar geweten onderzoekt.
Ik denk dat velen onder ons zo’n gewetensonderzoek zouden houden over de ander en voor de ander. Wij weten allemaal zo goed wie de farizeeër is en wie de tollenaar is, tenminste als het gaat over de anderen, maar als het gaat over onszelf, dan wordt het moeilijk.
Wij zouden natuurlijk allemaal die tollenaar willen zijn. Niemand van ons wil een farizeeër zijn. Maar als je echt meent dat je een tollenaar, een zondaar bent, waar blijft dan je innerlijke rust? Hoe kun je dan zo rustig voor God staan? Waarom vragen wij dan zo zelden eerlijk vergeving aan God? Menen wij het wel echt als wij in het begin van de mis openlijk bekennen: dat ik gezondigd heb in woord en gedachten, in doen en laten, door mijn schuld? Iemand anders moest het ons maar eens zeggen. Wij zouden nogal reageren. Zeg maar niet te vlug dat je geen tollenaar bent. Er zijn maar weinig christenen die geen stuk van het farizeïsme met zich meedragen, gewoonlijk goed verborgen onder het kleed van een goede christen. Diep in ons hart kijken wij nogal vlug misprijzend neer op hen die niet praktiseren, op hen die ongeoorloofd samenleven, op de jeugd die zich nergens meer iets van aantrekt. Wij zeggen het niet hardop zoals deze farizeeër: God, ik dank U dat ik niet ben zoals die andere, maar als onze gedachten eens op een televisiescherm zouden komen?
Laten wij vandaag maar eens proberen heel eerlijk te zijn. Wij dragen allemaal beide figuren in ons binnenste mee. Wij schommelen allemaal tussen een geestelijk meerwaardigheidsgevoel en een geestelijk minderwaardigheidsgevoel. Voor onszelf zijn we meestal de tollenaar, die in het verborgene op zijn borst zou willen kloppen en zeggen: God wees mij zondaar genadig. Maar voor de buitenwereld spelen wij vaak de rol van de farizeeër, die doet alsof alles piekfijn in orde is, en zien wij vaak minachtend op anderen neer.
Als ik u vandaag een goede raad mag geven, oordeel niet zoals die farizeeër over het gedrag van andere mensen. Dat zult u gemakkelijk kunnen als u, zoals die tollenaar, beseft dat u zelf ook niet kunt oordelen over de diepste roerselen van uw eigen hart, dat u misschien het best vertrouwvol tot God kunt zeggen: Heer, wees mij zondaar genadig!
In de harmonie tussen nederig berouw en rustig vertrouwen vindt de liefde van de zondige mens tot de barmhartige God haar schoonste voltooiing. Alle rechtvaardigen moeten nederig zijn en alle zondaars mogen gelukkig zijn omdat God elke mens gerechtvaardigd naar huis wil sturen. God wil niet dat we bang zijn, maar Hij wil ook niet dat we hoogmoedig zijn. We moeten klein zijn en mogen tegelijkertijd groot zijn in vertrouwen op God. Wij mogen nederig zijn en hoeven toch niet bang te zijn, wij zullen zondig zijn en toch mogen wij blij zijn als kind van God. Dan leven we van de waarheid en van de barmhartigheid van God. Dat is gerechtvaardigd naar huis gaan…
Farizeeër of tollenaar?
C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen