(S)preekwijzer: Een nieuw begin... (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

De nieuwe S/Preekwijzer is er!

Zinvol preken is voor elke voorganger in de Vlaamse kerken een regelmatige uitdaging. Zinvol preken – vanuit de bijbel en de actualiteit - over het intercultureel samenleven, de verdraagzaamheid en de migratie behoort tot de opdracht van de predikanten in de Vlaamse kerkcontext. KMS (Kerkwerk Multicultureel Samenleven) ondersteunt deze predikanten door de uitgave van een nieuwe S/Preekwijzer in intercultureel perspectief. Voor het nieuwe kerkelijk jaar dat aanvangt in het eerste weekend van december, bieden de auteurs in deze ‘S/Preekwijzer editie C-jaar een bundel inspiratie en spiritualiteit om overtuigend te s/preken. Meer dan een naslagwerkje is deze tweede editie in een reeks van drie, een bron om ook in de kerk gelovigen te ondersteunen in hun zoektocht in deze nieuwe wereld van diversiteit. Het biedt wegen aan om in beweging te komen tegen de golven van discriminatie en racisme. Het is een pastorale sleutel voor kerkopbouw in intercultureel perspectief. “Deze S/Preekwijzer voor het liturgisch jaar C” leidt de lezer binnen in de wereld van Paulus en zijn wijze van omgaan met de diversiteit van zijn tijd (Peter Schmidt), de oefening in gastvrijheid van Lucas (Adelbert Denaux) en gaat heel concreet in op bijzondere passages uit de lezingen van de C-cyclus (Arseen De Kesel, Geert Dedecker, Lianne De Oude).

De S/Preekwijzer kost 8 euro en kan besteld worden bij KMS op het nummer 02/5021128 en bestellingen@kms.be

We lezen deze zondag eerst even het begin van het Lucasevangelie: het voorwoord en de opdracht van het boek aan een zekere Teófilus. Vanuit dat voorwoord stappen de samenstellers van het liturgisch leesrooster meteen naar het vierde hoofdstuk over, waar Lucas Jezus in de synagoge van Nazareth zijn visie en programma laat ontvouwen. De tussenliggende verhalen (Jezus’ geboorte, zijn besnijdenis op de achtste dag, de opdracht in de tempel, en zijn verblijf als twaalfjarige onder de tempelgeleerden) kwamen eerder in het kerkelijk jaar aan de orde. Nu maakt de volwassen geworden Zoon van de Wet met een beginselverklaring in de synagoge van zijn eigen geboortedorp zijn debuut op het publieke forum. Overigens horen we vandaag maar een stukje uit deze passage. De rest wordt komende week voorgelezen…

Situering van de tekst

  • ‘In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest uit de woestijn terug naar Galilea’, zo begint onze tekst (Lc 4,14). De evangelist wil ons daarmee eerst en vooral meegegeven dat Hij zojuist (ook al geleid door de Geest!) veertig dagen lang in de woestijn is geweest.
    In die woestijn heeft Hij geworsteld met zijn roeping. Zijn betrokkenheid, zijn engagement was daar door de duivel, de dia-bolos, de uitééntrekker, in de leegte en de verlatenheid reeds op de proef is gesteld. Daar had Hij zijn definitieve keuze reedsgemaakt.. Toen dat moeilijkste gevecht van zijn leven voorbij was, keerde Hij terug naar zijn geboortestreek, om daar een ‘nieuw begin’ te maken. De geestkracht van die ‘veertigdagentijd’ la Hem nu niet meer verlaten, maar Hem aansporen tot verdergaan, om zijn levensprogramma (letterlijk: wat de Geest hem ‘voorgeschreven’ had) ook uit te voeren.

  • Lucas houdt er van Jezus’ doen en laten te beschrijven als gedragen door en aangeblazen door Gods Geest. Reeds bij het prille begin (dat wil zeggen: in beginsel!) van zijn leven is het de Heilige Geest, de ‘kracht van de Allerhoogste’ die Maria overschaduwt (Lc 1,35). Als Hij wordt gedoopt, daalt diezelfde Geest op Hem neer,in de gedaante van een duif (Lc 3,21v). De Geest zorgt in elk geval voor continuïteit in zijn levensloop, zo blijkt. Hij is een uitstekende ‘geestelijke begeleider’ voor deze Mens met roeping.
    De Geest is volgens Lucas ook altijd met zeer concrete mensen bezig: met Maria en Jezus. En vooral zet die Geest hen ook aan om te werken aan zeer concrete en materiële zaken als gevangenen verlossen, een genadejaar realiseren enz…In elk geval helemaal anders dan men die Geest soms voorstelt, als iets zeer vluchtigs, zweverig, weinig grijpbaar en concreet…

  • Het is sabbat in de synagoge van Nazareth. We maken kennis met het gebruik om de lezing uit de Profeten, de ‘Haftara’ die volgt op de Toralezing, te laten doen door iemand van de aanwezigen – een leek. Wij zouden zeggen dat er op dat moment iemand als ‘lector’ wordt opgevorderd. Iedere volwassen man kon daarvoor in de Joodse synagoge gevraagd worden, want na zijn ‘Bar Mitswa’ heeft iedereen daartoe de bevoegdheid. Het voorlezen gebeurt met een zekere plechtigheid. De boekrol wordt aangereikt (door een dienaar) en de lezer zoekt de passage op die volgens het leesrooster van de synagoge aan de beurt is.

  • Dan wordt het heel spannend. Welke tekst gaat de zoon van de timmerman voorlezen? ‘Ze reikten hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond…’ (Lc 4,17). De onvoltooid verleden tijd van het Griekse werkwoord voor ‘vinden’ laat zien dat er in feite door Lucas bedoeld wordt : ‘Hij zocht die plaats’. Jezus lijkt de passage uit Jesaja 61 zelf op te zoeken. Het kan geen toeval zijn dat Hij in zijn zoeken bij deze passage uit kwam, lijkt Lucas te suggereren. Hij wist maar al te goed welke tekst Hij op dat moment wilde voorlezen, omdat Hij er zo vertrouwd mee was sinds zijn verblijf in de woestijn. Alleen moest Hij in de rol die hem werd aangereikt en die Hij niet gewoon was te hanteren, even naar zijn lievelingstekst op zoek gaan…
    Het is merkwaardig en uiterst betekenisvol dat Jezus – dertig jaar was Hij, in de volle bloei van zijn leven - voor dat eerste publieke optreden precies dàt stuk van de Schrift heeft uitgekozen om als de samenvatting van zijn roeping en de zinvan zijn leven aan zijn dorpsgenoten te presenteren.
    Blijkbaar had Hij vooral met dat visioen uit Jesaja 61 geworsteld, die veertig dagen lang in de woestijn. Blijkbaar was het dàt wat de duivel Hem absoluut wilde proberen af te pakken en in stukken had proberen te trekken. Maar sinds Hij dat gevecht met die ‘middelpuntvliedende krachten’ gewonnen had op zichzelf en de duivel, woonde dat visioen van gerechtigheid en vrede nu ergens voorgoed in zijn hart en in zijn geweten. Voortaan wist Hij zich geroepen, gezalfd en gezonden om eerst en vooral aan de armen het goede nieuws, het evangelie van bevrijding te brengen…

  • Het is een opwekkend visioen, dat fragment uit Jesaja 61, en Hij leest het stralend-naïef voor aan zijn dorpsgenoten. Er komt goed nieuws aan voor de armen, zegt Hij; bevrijding voor de gevangenen, licht in de ogen van hen die geen uitzicht meer hebben, recht en menswaardigheid voor al wie onderdrukt is. Dit is pas écht evangelie voor kleine mensen, blijde boodschap in zeer geconcentreerde vorm! En dit visioen loopt uit op een genadejaar van de Heer, waarin alle scheefgegroeide maatschappelijke verhoudingen weer zullen worden rechtgetrokken en iedereen weer van voor af aan zal kunnen beginnen…

  • Na de voorlezing uit de Profeten volgt altijd een toespraak (preek) waarin de gelezen teksten worden toegelicht en geactualiseerd. Normaal werd iemand daarvoor gevraagd door het hoofd van de synagoge. Maar hier kijkt iedereen verbaasd op als de zoon van de timmerman het woord niet afgeeft aan een ander. Iedereen is zelfs benieuwd wat deze jonge kerel zo dringend aan de wereld te zeggen heeft.

  • ‘Hij stond op om voor te lezen…’, staat er ook nog (Lc 4,16). Met – nadrukkelijk - het verrijzenis-werkwoord ‘opstaan’. Hij is zijn weg dus begonnen als een ‘opstandig’ man, zegt Lucas. Oprecht en rechtop. Hij was van meet af aan op zijn paasbest, een échte verrijzenismens. Zo was Hij in begin-sel, en zo is Hij zijn hele leven gebleven: consequent opstandig tegen alle vormen van onrecht en dood, tegen alle uitsluitingsmechanismen en alles wat mensen klein houdt. Deze consequente levenshouding is op Pasen door zijn God bekrachtigd in zijn verrijzenis: ‘Hij is niet hier. Hij is uit de dood opgestaan’ (Lc. 24,6). Zo raken begin en einde van zijn levensverhaal elkaar bij Lucas, en maken dat verhaal tot een opstandingsgebeuren van A tot Z…

  • De schriftuitleg die Jezus daarop geeft, verleent aan de woorden van Jesaja het karakter van een ultimatum. ‘Het schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan…’ (Lc 4, 21). ‘Vandaag, heden’ is een themawoord in Lucas. Dat moèt wel betekenen: van nu af aan wil Ik leven vanuit dit visioen van gerechtigheid en bevrijding – en Ik roep jullie allen op om hetzelfde te doen. Van nu af aan zijn deze woorden van kracht voor jullie en voor Mij als enige mogelijke levensweg.
    De toehoorders in de synagoge weten het weer, wat laatste waarheid is in de geschiedenis van God met de mensen. Zij horen dat bevrijding en gerechtigheid zullen geschieden. Hiermee zet Lucas de toon van al wat volgt. De timmermanszoon uit Nazareth roept het Koninkrijk van God uit; Hij proclameert een nieuw begin dat nú een aanvang neemt.

  • Lucas is bij uitstek de evangelist die de verkondiging van Jezus plaatst in de politieke en maatschappelijke constellatie van zijn tijd. Hij richt zijn boodschap tot christenen uit een gemeente ergens in het Romeinse wereldrijk. Vooral de positie van de armen gaat hem daarbij ter harte. Geen van de vier evangelisten voert zo’n drastisch pleidooi voor de rechten van de armen als hij. Zijn evangelie is het grote bericht over de kloof tussen arm en rijk, en hoe die door de gewinzucht van de rijken in stand gehouden wordt. Hem staat een christelijke gemeenschap voor ogen waarin de tegenstelling tussen rijk en arm is opgeheven. De toon van dit pleidooi voor meer gelijk(waardig)heid en minder uitsluiting wordt in het begin(sel) reeds gezet in het Magnificat: ‘Hij haalt de tirannen neer van hun tronen, en tilt de vernederden op. Hongerlijders overlaadt hij met gaven; de rijken stuurt hij heen met lege handen…’ (Lc 1,52-53). Hèt model van hoe een christelijke gemeente zou kunnen zijn tekent hij later dan uit in de (geïdealiseerde!) beschrijving van de eerste gemeente in Jeruzalem ‘…waar men alles gemeenschappelijk had. En er was geen enkele noodlijdende onder hen…’(Hand 2 en 4)

  • Het is belangrijk te beseffen dat de officiële Romeinse liturgie voor een priesterwijding uitgerekend deze tekst uit Lucas 4,14-21 voorschrijft. Zo wordt vanouds als het ware dit visioen van alles omgekeerd aan elke nieuw gewijde priester, aan elke ‘geest-elijke’ opgelegd als het programma dat hij moet vervullen, om nooit te vergeten wat hem te doen staat.
    Allen die in Naam van Jezus van Nazareth willen spreken, allen die van Hem willen getuigen hebben altijd weer deze droom te vervullen, wil de traditie van de Kerk ons daarmee zeggen. De waarachtigheid van elk christelijk getuigenis moet worden afgemeten aan deze woorden, aan deze visie en het al of niet concreet maken er van: of daar ‘nu’ iets van terecht komt en er een concreet nieuw begin wordt mee gemaakt… Zo concreet is dat, zegt Lucas. Zo simpel is het, om te weten of je als gezalfde en gewijde bedienaar, als leerling van Jezus én als Kerkgemeenschap goed bezig bent, gedreven door de Geest die Hem bezielde…

— Oriëntering

De tekst die Jezus voorleest uit Jesaja 61 eindigt met: ‘De Geest des Heren heeft mij gezalfd …om een genadejaar af te kondigen van de Heer…’ (Lc 4,19). Die uitdrukking ‘genadejaar van de Heer’ wijst er op dat de profeet het Jobeljaar op het oog had waarover elders in de Schrift van alles is te lezen, en dat wij soms verkeerdelijk bestempelen als een ‘Jubeljaar’.

Het is goed om daaromtrent eerst een hardnekkig misverstand uit de kerkelijke wereld te helpen. Dat ‘Jobeljaar’ uit de Bijbel heeft niets met ‘jubelen’ te maken, zoals nogal wat mensen verkeerdelijk denken. Wat voor reden tot jubelen zou er trouwens in deze wereld en in onze Kerk kunnen zijn, als je ziet hoe het er vandaag aan toe gaat: moord en doodslag, armoede en honger beheersen de hoofdpunten van het dagelijks nieuws. Waar het recht van de sterkste regeert en zoveel onschuldigen worden uitgesloten van leven, valt er vanzelfsprekend weinig te jubelen…

In het Hebreeuws wordt er gesproken over ‘Sjenát hajjobeel’, het jaar van de ram, zo genoemd omdat het werd ingeluid door het blazen op de ramshoorn. Het gaat daarbij om een ingrijpende herstructurering van de maatschappij, waarbij eindelijk aan de armen recht wordt gedaan, een totale vernieuwing van de samenleving waarbij alles wat in de loop der tijden is scheefgegroeid wordt rechtgezet: schulden worden kwijtgescholden, werkslaven vrijgelaten en verarmden en uitgeslotenen worden weer in hun waardigheid, hun bezit en mensenrechten hersteld.

Als Jezus in het evangelie van vandaag trefzeker die tekst kiest over ‘het genadejaar van de Heer’ dat wordt afgekondigd, proclameert Hij daarmee zondermeer het Jobeljaar: goed nieuws – evangelie - voor de armen, bevrijding van gevangenen, licht in de ogen van wie geen uitzicht hebben, en dat wie geen rechten (of papieren) hebben vrijuit mogen gaan. Zijn eigen utopie over het ‘Rijk Gods’ dat moest komen, sloeg immers precies op hetzelfde, en daarom kende Hij die passage uit Jesaja zo goed.

Om op het spoor te komen van wat in de Schrift nu precies met dat Jobeljaar wordt bedoeld, moeten we terug naar Leviticus, hoofdstuk 25, en ook naar Deuteronomium, hoofdstuk 15 (want Deuteronomium doet eigenlijk niets anders dan die oude teksten uit Leviticus herschrijven en actualiseren – Deuteronomium betekent letterlijk ‘de Wet op-nieuw…’).
Om de groeiende sociale ongelijkheid – veroorzaakt door het toenmalige ‘sociaal - economische systeem’ – te bestrijden, werd in Israël ooit het fameuze ‘Sabbatjaar’ ingesteld, en later, na de ballingschap, het ‘Jobeljaar’.
Een sabbatjaar kwam om de zeven jaar voor. De oudste betekenis en inhoud ervan stamt uit het landbouwmilieu, en omvatte de verplichting een jaar lang de akkers braak te laten liggen. Oorspronkelijk dus een soort ‘natuurwet’, om de grond de kans te geven te rusten en zich te herstellen. Een soort van ‘groene’ maatregel als het ware, en als dusdanig ook in andere culturen en religies bekend.
Later omvatte het sabbatjaar ook het vrijlaten van de slaven. Soms moesten mensen zichzelf verkopen om uit hun benarde financiële situatie te geraken. In het sabbatjaar moest men daar schoon schip mee maken: alle slaven moesten vrijgelaten worden, en bovendien was het een verplichting een vrijgelaten slaaf niet met lege handen door te sturen, maar hem of haar een minimum aan noodzakelijke levensvoorzieningen mee te geven, zodat zij een nieuw begin konden maken…

Veel belangrijker en ingrijpender nog – revolutionair eigenlijk en totaal utopisch – is de droom van het Jobeljaar, waarbij om de zevenmaal zeven jaar (in het vijftigste jaar) het evenwicht in de maatschappij helemààl hersteld moest worden. Alle denkbare schulden moesten dan kwijtgescholden, en de vrijheid werd in heel het land afgekondigd. Vijftig is zeven maal zeven plus één – dat wil op het bijbelse (ver)telraam zeggen: het verleden en alles wat daarin scheef gegroeid is laten we achter (zeven maal zeven), en we maken een radicaal nieuw begin (plus één). Alle maatschappelijke verhoudingen worden herschikt; alle rechten worden in ere hersteld; alle uitsluitingsmechanismen worden gecorrigeerd. Bezit je een huis, dan mag je dat houden, maar alle andere eigendom waar je alleenrecht meende op te hebben, wordt herverdeeld. De hele mensheid, en de volgende generatie vooral – de kinderen en de jongeren! – krijgen zodoende een reële kans op toekomst. Een typische instelling van na de ballingschap natuurlijk. Toen moèst men wel een nieuw begin maken met de Joodse samenleving, want al het oude had ofwel zijn ondeugdelijkheid bewezen, ofwel was het door de bezetter van de kaart geveegd…

Sabbatjaar en Jobeljaar zijn niet zomaar wilde dromen in de Schrift. Van meet af aan is er een ernstige religieuze en sociale motivatie voor gegeven. We zetten hier een aantal van die motieven op een rij:

  • Het uitgangspunt van alles is, dat de arme en ontrechte nooit zomaar object van toevallige liefdadigheid kunnen zijn. Zij kunnen rèchten laten gelden. Als volwaardig lid van de mensheid kunnen zij aanspraak maken op datgene wat hen toekomt. Er zijn nu eenmaal universeel geldende mensenrechten, die nooit door individuen of groepen als alleenrecht kunnen geclaimd worden.
  • Basisopdracht in de samenleving is en blijft: solidariteit met de arme die je lotgenoot is. ‘Heb lief je naaste die is zoals jij’ – zegt Leviticus 19,18. Maar wie is je naaste? Een familielid, een vriend, een volksgenoot – eigen volk eerst? Deuteronomium 15 spreekt drie keer van ‘je arme broeder’ als ‘naaste’. Je naaste kies je met andere woorden niet zelf uit, het is degene die je wereld onverwacht verstoort, die in je leven binnenbreekt.
  • Om dat nog te verduidelijken en te concretiseren staat er verder in Leviticus: ‘Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte…’ (Lev 19, 33-34) Dat is een basiservaring uit het verleden die meegaat in heel de Schrift: je weet goed genoeg wat de vreemdeling nodig heeft, omdat je ooit zelf vreemdeling bent geweest en gebukt ging onder onvrijheid. Vestig daarom nu – nu je bezitter geworden bent en eigenaar van het land - geen eigen vrijheid door anderen onvrij te maken.
  • ‘Het land dat jullie bewonen is jullie gegeven door JHWH, zegt Leviticus 25,2. De aarde is jullie toevertrouwd, niet om die te bezitten, maar om die te delen. Alles is ‘cadeau’ (of, om een bijbelser woord te gebruiken: alles is ‘genade’). Hoe zou je dan geen ‘genade’ kennen met de mensen die bij je wonen? Zo ook in Leviticus 25,23 met betrekking tot de landhervorming: ‘Het land behoort Mij toe, en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij Mij te gast zijn.’ In moderne, geactualiseerde vorm zou zo’n Jobeljaar onder andere kunnen aankondigen dat mensen (als ze dat willen) zonder vrees kunnen terugkeren naar hun gebied van herkomst, omdat daar voor hen nieuwe economische kansen worden gecreëerd door de ‘bezitters’ aldaar én dankzij wat ze van hun vroegere ‘eigenaars’ als ‘startpremie’ hebben meegekregen…
  • Als men daarmee een nieuw begin zou maken, zou de aarde waarachtig ge-heeld, ‘geheiligd’ worden tot een bewoonbare plaats voor allen. Leviticus 25 maakt niet voor niets deel uit van een groter geheel (h. 17-26) over de ‘heiligheidswetgeving’ in Israël. Hoe kun je de Naam van God best heiligen (eren, hoog in het vaandel voeren)? Door op de kleinsten en zwaksten te letten, zegt Leviticus: ‘Wanneer één van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling moet helpen die bij je te gast is. Je mag hem niet laten verkommeren…’ (Lev 25, 35-36)
    Zorgt er dus voor dat niemand wegzakt in jullie samenleving, dat niemand aan de grond raakt, of erger nog: grond en tenslotte lijf en leden als arbeidskracht of koopwaar moet verpanden om in leven te blijven.
  • Sabbatjaar en Jobeljaar vormden de basis voor een groot sociaal vangnet waarmee moest voorkomen worden dat mensen uit Gods en elkaars genade zouden vallen. Waar de naaste niet wordt geholpen, de vreemdeling niet wordt voorzien van huisvesting, brood en kleding, loopt er iets grondig mis. In het taaleigen van Leviticus verdient zo’n samenleving het predikaat ‘onrein’, wat welhaast samenvalt met ‘zonde’ (wat dan weer iets te maken heeft met ‘af-zonde-ring’, uitsluiting). Waar het zo grondig scheef gaat, waar mensen zo worden geschoffeerd en fundamentele mensenrechten zo worden verkracht, is regelmatig nazicht en grondig herstel geboden. Leviticus spreekt dan van ‘heiliging’ of ‘verzoening’, niet als louter religieuze maar in de eerste plaats als politiek-sociale realiteiten.
  • Trouwens, veel van die slaven en vreemdelingen hebben in de jaren die aan het Jobeljaar vooraf gaan mee dat sociale vangnet helpen opbouwen en in stand houden. Daarom wordt ook nog gezegd: ‘Wanneer één van jullie tot armoede vervalt en zichzelf aan jou verpandt, mag je hem niet als slaaf behandelen. Je moet hem beschouwen als een loonarbeider of als een vreemdeling die bij je woont. Tot aan het Jobeljaar zal hij voor je werken, dan hoeft hij je niet meer te dienen en kan hij met zijn gezin terug keren naar zijn eigen familie en naar de grond van zijn voorouders…’ (Lev 25, 39-41)

Leviticus 25 en Deuteronomium 15 presenteren ons aldus een kader voor een ideale, utopische maatschappijordening naar bijbels model. Een blauwdruk voor het gedroomde Rijk Gods. Hier ligt een politiek, sociaal en economisch plan ter tafel, gebaseerd op de principes van gerechtigheid en sociale gelijkheid. ‘Vrijlating’ en ‘kwijtschelding’ zijn de sleutelwoorden van dit ‘regeringsprogramma’. ‘Gelijke kansen, gelijke rechten voor iedereen’ is er de ‘baseline’ van.
Het intrigerende aan dit instituut van het Sabbat- en Jobeljaar met zijn concrete regelgeving is, dat eruit blijkt hoe de Wet voorziet in het herstel van het gebroken evenwicht in de samenleving. Het kan inderdaad in een samenleving flink verkeerd gaan, en dat moet een wetgever van tevoren inschatten, of minstens tijdig bijsturen. ‘Het Sabbat- en Jobeljaar is een revolutionair artikel in de grondwet van Israël, om zo te zeggen. Het proclameert in principe vrijheid en veiligheid voor allen. Het is een laatste protest tegen het recht van de sterkste dat altijd weer ook de beste wetgeving dreigt te overwoekeren.’ (Ter Schegget)
Herstel van economische en sociale verhoudingen op basis van gelijkheid moet de norm zijn waarop een regeringsbeleid van tijd tot tijd kan worden afgerekend. Dat kan maar lukken als de samenleving op bepaalde afgesproken momenten de tellers weer op nul wil zetten voor een nieuw begin.

Sabbat- en Jobeljaar zijn waarschijnlijk altijd profetisch-messiaanse dromen gebleven. Het blijft een open vraag in hoeverre deze utopische visie ooit in de realiteit van Israël is toegepast en geïmplementeerd. Heel wat profeten klagen scherp aan dat van die dromen nooit werk werd gemaakt, omdat de machtigen, de grootgrondbezitters en kapitaalkrachtigen al heel snel en altijd weer allerlei achterpoortjes hadden gevonden om de Wet te omzeilen of die tenslotte toch weer in hun eigen voordeel om te buigen.

Toch is die droom in de Schrift gedroomd voorgoed. Hij staat er zwart op wit neergeschreven, en is door iedereen vrij te raadplegen. Als zodanig vervult dat visioen zijn maatschappij- en godsdienstkritische functie nog altijd.
De bedenkers van deze teksten uit Leviticus en Deuteronomium hoorden in hun geweten een God spreken die zich tot in de details met het maatschappelijk leven bemoeit. Zij hadden een scherp zicht op de sociaal-economische verhoudingen van hun tijd, kenden de klachten van het ‘gewone’ volk aan de basis, vingen die op en schreeuwden en schreven van daar uit dat het in Gods Naam fundamenteel anders moest. Zij waren ‘bazuinblazers op de ramshoorn’ -‘klokkenluiders’ zouden wij vandaag zeggen…

Jezus van Nazareth was door de Geest in dezelfde profetische richting gedreven. Hij had al zoekende en vragende in de oude teksten van de Schrift ontdekt dat daar een blikrichting te vinden is, een visie, een visioen. (zie het verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel dat we eerder op het jaar al hebben gelezen) Hij moet zich tijdens zijn verblijf in de woestijn en onder de drijfkracht van de Geest grondig in al die oude teksten hebben verdiept. En Hij wist dat er in Jesaja 61 staat te lezen dat JHWH ooit een profeet zou sturen naar Zijn volk om van Godswege en definitief zo’n Sabbat- en Jobeljaar af te kondigen en er een nieuw begin mee te maken. Toen moet het in Hem opgekomen zijn: ‘Nu, vandaag is dit Schriftwoord in vervulling gegaan! Misschien moet Ik die profeet wel zijn…’\

— S/Preekwijzer

Een dertigjarige jongeman in de synagoge van Nazareth staat op om voor te lezen en krijgt de boekrol aangereikt van Jesaja. Hij rolt die open en vindt trefzeker de plaats waar geschreven staat: ‘De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer…’ (Lc 4,18-19)
Het waren bekende woorden voor de toehoorders – ze kenden die tekst haast van buiten, want ze hoorden hem telkens weer in hun synagoge, iedere liturgische jaargang opnieuw. De zoon van de timmerman bracht niets nieuws aan, zo leek het. Hij stond met al zijn vezels in de traditie. Hoogstens was Hij van plan wat te timmeren aan de bekende weg, maar nagels met koppen sloeg Hij niet. En dat stelde zijn toehoorders gerust. Maar in zijn ‘preek’ laat Hij de scherpte, de concreetheid en radicaliteit van die tekst duidelijk horen en voegt er maar één zinnetje als commentaar aan toe: ‘Het schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan…’ Door dat éne woordje wordt echter alles ineens heel nieuw, heel schokkend, want zeer actueel en gevaarlijk dichtbij. Er komt groot tumult in de vergadering, want iedereen in Nazareth wil liever blijven denken zoals hij altijd al had gedacht. De regelmatige synagogebezoekers houden meestal niet van zulke concrete schriftcommentaren…
Lucas, de evangelist die van dit ‘incident’ gewag maakt, brengt volgende week rapport uit over de onrust die de Man van Nazareth met die kortste preek van alle tijden in de geloofsgemeenschap van toen heeft veroorzaakt. En hij laat er overduidelijk bij verstaan dat het de kracht van de Geest is, die deze onrust heeft gesticht.\

Het is dan ook een zeer explosieve tekst die Jezus bij zijn debuut in eigen stad uitkiest om over te preken. Het gaat over het Koninkrijk Gods, over goed nieuws voor de armen, vrijspraak voor gevangenen, nieuw uitzicht voor wie geen perspectief meer heeft, vrijheid voor verdrukten en uitgeslotenen. Er wordt een halt toegeroepen aan verarming en verrijking; er wordt op alle niveaus van de maatschappij orde op zaken gesteld en een nieuw begin gemaakt. En vandààg nog moet dat in voege gaan, zegt Hij. Meer heeft Hij niet te zeggen, op dit moment. Maar minder kan niet volstaan, volgens Hem …

Jezus heeft, vlak vóór zijn optreden in Nazareth, veertig dagen in de woestijn verbleven. Hij heeft er gevast, naar ‘vastigheid’ gezocht. Hij heeft er in de Schriften gelezen – in Leviticus, Deuteronomium en Jesaja. Hij is er bekoord door de duivel, de diabolos, de uitééntrekker. En nu heeft Hij zijn keuze gemaakt, een keuze die aan zijn leven definitief richting geeft.
Herkende Hij tijdens die sabbatsbijeenkomst zijn eerder gemaakte keuze in de bladspiegel van de Hem toevallig aangereikte rol, of speelde dat visioen al zolang in zijn hoofd, hart en geweten dat Hij geen andere tekst voorlezen kón? Dat weten we niet. Wel weten we dat Hij vanuit het zich beraden over dit visioen (‘bidden’, noemen we dat), besloten had: van nu af aan zal ik mijn hart en zinnen zetten op de bevrijding van mensen, op herstel en gerechtigheid, zodat mens en maatschappij weer op adem kunnen komen.
Hij had waarlijk goed ‘gevast’ in de woestijn. Vanaf dit moment was er in zijn leven een vastigheid, een ankerpunt gekomen. En de onrust die de ‘Geest des Heren’ sindsdien over hem deed komen, had alleen nog met dit visioen van doen. Van nu af aan zou Hij zijn weg gaan, desnoods midden tussen de menigte door – maar daar horen we volgende week meer over…

‘Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen…’, horen we Jezus in Nazareth met de woorden van Jesaja zeggen. Het woord dat hier staat klinkt in het Grieks als ‘evangelie’, goed bericht, vreugdetijding. Het heeft van origine een politieke lading. Zoals het in de begintijd van onze jaartelling door veldheren en keizers werd gebruikt om de vestiging van een nieuwe politieke situatie te proclameren, zo wordt het in de Jezusverhalen gebruikt voor de aankondiging van een nieuwe wereldorde. Zelfbewust en niet zonder ironie klinkt het dan ook in Nazareth door de synagoge: helemaal nieuw is het, wat hier te gebeuren staat, tegen veldheren en keizers in – dat de armen gehoord zijn, dat voor hen als eersten het Koninkrijk van God, de nieuwe wereldorde van gerechtigheid bestemd is. Een nieuw begin voor deze wereld is dit, een wereld die nog altijd voor het grootste deel uit armen en uitgeslotenen bestaat. ‘Heden is dit schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt in vervulling gegaan’. Van nu af aan zal het nieuw begin ook geschiedenis schrijven. De tijd is vol; de maat is vol. Er kunnen niet nog meer armen en verontrechten in ons midden zijn… \

In Israël, dat geleefd heeft en op elk ‘Feest der Wet’ zelfs gedanst heeft met de Torarol in zijn armen, is toch altijd weer, ondanks alles, armoede en uitsluiting ontstaan. Zo’n scheefgroei in een maatschappij is blijkbaar niet tegen te houden. Altijd weer wordt de kloof tussen rijk en arm, tussen sterk en zwak breder en dieper. Het lijkt bij wijze van spreken een natuurwet dat de zwaarste lasten altijd op de zwakste schouders terechtkomen. En daar kan je dan met veel goeie wil af en toe wat proberen aan te remediëren, maar liefdadigheid en goeie wil alleen redden het niet. De instelling bij Wet van het Sabbat- en Jobeljaar is het bewijs dat de Tora daar rekening mee hield. Eens in de zeven of in de vijftig jaar moest alles worden goedgemaakt wat men in de voorbije jaren had laten liggen of had laten verrotten. De Schrift houdt het eigen volk van Israël daarbij als argumentatie voortdurend voor: laat de blik waarmee gij naar de wereld kijkt niet vertroebelen door het feit dat gij nu het land bezit – ooit is dat wel anders geweest. Want alles wat gij nu hebt, is u gegeven. ‘Zelf zijt gij immers ook vreemdeling geweest in Egypte’ (Deut 10,19)…

Het adembenemende van deze intuïtie van Israëls toenmalige ‘beleidsmakers’ is dat die beslissing was vastgelegd in een positieve Wet met duidelijke criteria, zwart op wit in de Schrift neergeschreven. Israël proclameerde bij deze officieel: een maatschappij die toekomst wil hebben op langere termijn, moet regelmatig een nieuw begin durven te maken. Anders verstart het recht en verstokt de barmhartigheid. De wereld mag niet ten onder gaan aan de dwang van de loop der dingen. Een mens moet kunnen herbeginnen, dat is de grondoptie van deze visie. En een maatschappij moet daar de wettelijke en concrete mogelijkheden toe creëren. Er moet van tijd tot tijd een soort ‘amnestie’ worden afgekondigd, een ‘regularisatie’. Dat betekent dat er drastisch wordt ingegrepen in alle scheefgegroeide verhoudingen van jaren ver. Mensen die alles verloren hebben, krijgen dan een nieuwe kans (voor wie niets hebben en dus niets kunnen verliezen is de utopie het enige dat te realiseren overblijft).
Mensen met een onmogelijk verleden waar niet mee te leven valt – met of zonder schuld, door onkans of door eigen keuze - krijgen op die manier eindelijk toekomst in zicht…

Een gemeenschap die gelooft in de Geest van Jezus van Nazareth zou een plek moeten zijn waar zulke woorden uit Leviticus en Deuteronomium, uit Jesaja en Lucas niet belachelijk worden gemaakt en waar de utopieën die erin worden voorgespiegeld niet voor onmogelijk worden gehouden. Waar zelfs na de ontnuchtering van de harde feiten, telkens weer, de hoop wordt levendig gehouden dat er altijd een nieuw begin mogelijk is. Een plek ook waar we elkaar op de hoogte houden van de kleine en grote wonderen van recht, ontferming en liefde die binnen het bereik van onze ogen gebeuren en die in de wereld om ons heen misschien een nieuw begin aankondigen van een ander tijdperk, een leefbaardere samenleving, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde…

Herman van Veen zingt in zijn bekende lied ‘Signalen’:

‘De dwaze moeders op het plein
wier kinderen verduisterd zijn…
Geef ze een teken, een signaal
dat geen enkele deur voor eeuwig dicht zal zijn
dat er aan het eind van de tunnel weer licht zal zijn…’

En ook nog:

‘Zoals de mijnwerkers in de mijn:
de redding moet al bezig zijn,
de anderen zijn hulp gaan halen,
het wachten is op de signalen…’

Die tekens en signalen waar van Veen om vraagt, die zijn er al! Ze zijn zelfs talrijker en sterker dan we zouden denken. Een aantal mensen, organisaties, bewegingen en kerkgemeenschappen hebben gelukkig niet op een bevel van hogerhand gewacht om het evangelie van Jezus’ eerste openbaar optreden in Nazareth te herontdekken en de boekrol van Jesaja die daar op hen lag te wachten ter hand te nemen, te interpreteren en te actualiseren tot er niets anders overbleef dan het besluit: ‘Nu, vandaag, moet er een nieuw begin worden gemaakt met deze woorden uit de oude Schrift…’

Op heel wat plaatsen zijn mensen van binnen en buiten de Kerk reeds bezig met het maken van een nieuw begin. Die tekens en signalen zijn uiteraard evangelie voor de armen. De God van Israël is met hen, met Zijn genade. Hij is er immers altijd bij wanneer mensen hier en nu op-nieuw beginnen. Ook Hij is eindelijk weer op Zijn gemak in de synagoge van Nazareth, in de Kerk, in Zijn eigen huis. Onder Zijn deurbel hangt nu weer op heel wat plaatsen Zijn mooiste Naam : ‘Immanuel, God-met-ons’. Dat is vertaald in termen van Jesaja’s en Jezus’ visioen : Illegale-kleine-mensen-God, Vader-van-de-uitgeslotenen, Moeder-van-de-mensen-zonder-papieren, Vluchtelingenkind, Arme-mensen-vriend. Hij die er altijd zal zijn, als wij vandaag opnieuw met Zijn visioen durven te beginnen…

Zoeken in Preken Online