In de lezingen van vandaag gaat het om twee dingen: Om rechtvaardigheid, en om gebed. Deze twee komen in beide lezingen terug.
In de eerste lezing horen we dat Israël in oorlog is met Amalek. Nu wordt er in het Oude Testament verteld over een heel aantal oorlogen die Israël heeft moeten uitvechten, maar Amalek is niet zo maar een vijand, en deze oorlog is niet zo maar een oorlog. Verderop in de bijbel, in het boek Deuteronomium, wordt uitgelegd wie Amalek is: “Toen jullie, volk van Israël, uitgehongerd en uitgeput waren in de woestijn, heeft het leger van Amalek gewetenloos, zonder enig ontzag voor God jullie achterhoede overvallen, daar waar de zwaksten zich bevonden.” (Dt 25, 18).
De achterhoede, dat is de plek waar de oude mensen lopen, de mensen die kreupel zijn, de zieken, de ouders met kleine kinderen. Amalek is in de bijbel de belichaming van het onrecht, de tegenstander die spreekwoordelijk is geworden als degene die het steeds op de zwakken in de samenleving gemunt heeft, degene die jou pakt op je meest kwetsbare plek. Dat kan in het groot, in een politiek die slechts geeft om macht of geld, en waar alleen het recht van de sterkste geldt. En Amalek leeft in het klein: waar ik de ander kleineer, pak op haar zwakke plek, niet zie staan: daar ben ik Amalek. Het gevecht dat het volk van God met dat onrecht voert is een gevecht dat steeds terugkeert, vaak heel concreet. We vieren in de kerk vandaag wereldmissiedag, de dag in het jaar waarop de kerk zijn solidariteit met de zwaksten in de wereld beklemtoont. In het missieproject van dit jaar staan de Dalits centraal. Dalit betekent letterlijk verstotene, vertrapte'. Het is de aanduiding voor de paria's in India die buiten het kastensysteem vallen. Tot op de dag van vandaag is dat een groep mensen die zo goed als rechteloos is, en die de vernietigingsdrang van Amalek dagelijks concreet aan hun lijf voelt. Voor hen neemt onze kerk het op wereldmissiedag dit jaar bijzonder op en voor hen zullen we daarom straks ook collecteren.\ \ Zo concreet is Amalek, de vijand die de zwaksten pakt. Israël vecht ertegen, met het leger van Jozua en het gebed van Mozes. Die twee horen samen: het handelen, de actie, en het gebed, de contemplatie. Mozes heeft moeite het bidden vol te houden: Zijn armen worden zwaar, en hij wordt moedeloos. Dan komen Aäron en Chur, en ze ondersteunen zijn armen, ze steunen zijn gebed, totdat Amalek verslagen is.\ Dat zegt iets over ons bidden: In het gebed, in het bij God vragen om steun in de strijd tegen de Amaleks in de wereld en de Amalek in mijzelf, sta ik niet alleen. In het gebed van ieder van ons klinkt het gebed van heel de kerk mee, en we kunnen elkaar erin ondersteunen zoals Aäron en Chur Mozes ondersteunden als hij het dreigde op te geven. Ieder gebed, van ieder van ons is dus het gebed van heel de kerk, gezamenlijk gedragen gebed. Daar kun je op vertrouwen.\ \ En dan de evangelielezing.\ Er staat dat Jezus een verhaal vertelt "over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven."(Lk 18,1): dat is waar het verhaal over gaat.\ Het verhaal laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Een weduwe, een vrouw die in een heel kwetsbare positie zit in de samenleving van haar tijd, heeft een conflict met iemand anders, en de zaak wordt tot bij de rechter uitgevochten. Dat conflict is al erg genoeg, maar tot overmaat van ramp treft de weduwe een rechter die het allemaal niets kan schelen, een man die een aanfluiting is voor zijn beroep, een rechter die niks geeft om rechtvaardigheid: Hij laat de zaak op zijn beloop, en de weduwe krijgt haar recht niet. En dus klopt ze bij hem aan, en nog eens, en nog eens, net zo lang totdat de rechter toegeeft. Jezus vertelt het verhaal met de nodige humor: Als je letterlijk vertaalt wat er in het Grieks staat, laat Jezus de rechter bij zichzelf denken: "God of mensen kunnen me niet veel schelen, maar laat ik dit lastige mens haar recht maar geven. Anders blijft ze ik weet niet hoe lang terugkomen en slaat ze me nog eens een blauw oog." Het staat er echt zo!\ \ De conclusie is dan duidelijk: "Als de onrechtvaardige rechter al toegeeft, zuiver en alleen om van het gezanik af te zijn, hoe veel te meer zal God dan niet luisteren als een van zijn geliefde kinderen hem iets vraagt?" Bid dus, en bid zonder ophouden.\ \ Het is een prachtig verhaal, en het punt dat Jezus maakt is glashelder. En toch, hoe meer ik het verhaal op me laat inwerken, hoe meer het gaat knagen. Het klinkt wel mooi, en ik wil het graag geloven, maar: Hoe moet dat dan, bidden? Wat vraag je wel aan God, en wat niet? Mag je bidden dat een zieke beter wordt? Of is dat God manipuleren, en kun je beter bidden voor grotere, abstractere dingen: om vrede, om gerechtigheid voor alle mensen?\ Ik ga op zoek naar een antwoord, en ik vind een brief van Paulus aan de christenen in Rome. Paulus schrijft in die brief: "We weten niet hoe we moeten bidden, maar Gods Geest zelf pleit voor ons, met woordeloze zuchten." (Rom 8,27).\ Dat is opmerkelijk: Eerder hoorden we al hoe Mozes, de man van God bij uitstek, het bidden niet vol kon houden, en nu lezen we dat Paulus, een man die in de leer is geweest bij de grote rabbijnen in zijn tijd, een man die ervoor doorgeleerd heeft, Paulus schrijft dat ook hij niet weet hoe hij moet bidden. Hij vindt de goede woorden niet, maar "in mijn zuchten en verlangen bidt de Geest van God in mij."\ \ Dat zegt iets over wat bidden is: Als ik bid, gaat het niet in eerste instantie om mijn activiteit, om wat ik zeg of doe: Gods Geest bidt in mij, door mijn woorden of mijn woordeloze zuchten heen.\ \ Om die Geest te kunnen horen, moet je de stilte opzoeken, en even afstand nemen van de hectiek van alledag. En dus zoek ik een half uurtje om te bidden: ik sluit me af van de buitenwereld, en ga stil zitten om te luisteren naar de stem van God.\ \ Maar voor ik het weet dwalen mijn gedachten af: Naar die klus die ik eigenlijk nog zou moeten doen. En kan ik dat niet veel beter nu maar meteen doen, en dan straks bidden? Naar die knappe man of vrouw die ik ontmoet heb, en naar wie ik zo intens kan verlangen; naar die vervelende opmerking die een vriend gisteravond maakte, en die me nou nog dwars zit. Ik probeer die gedachten weg te duwen, maar het lukt me niet goed: Steeds komen ze weer terug.\ Of zou het zo kunnen zijn dat ik die gedachten ook niet weg moet duwen? Zouden dit de woordeloze verzuchtingen’ kunnen zijn waar Paulus over praat? Spreekt Gods Geest juist door die dingen heen? Dan krijgt bidden een andere betekenis. Dan gaat het niet meer om mooie of verheven gedachten, maar om goed luisteren naar wat er leeft in je hart, en dat voor God brengen.
Ooit heb ik aan een wijze pastor gevraagd hoe hij dat deed, bidden. Hij antwoordde: “Ik weet niet precies hoe ik het moet omschrijven, meestal noem ik het maar heel simpel: `dat ik aandachtig luister naar wat er in me leeft, en dat omhoog gooi.’” En toen ik vroeg wat er dan gebeurt, grinnikte hij even en zei: “Vaak gooit God het meteen terug.”
Als je bidt, ga je die momenten herkennen: Momenten waarop je iets ontdekt juist aan dat wat het bidden in de weg leek te staan. “Nou wilde ik rustig gaan bidden, en nou zit ik toch al de hele tijd te denken wat ik morgen op die moeilijke vergadering moet gaan zeggen: Ik wist niet, goede God, dat dat me zo bezighield. Wilt u erbij zijn morgen, met uw kracht en uw wijsheid, want ik zie er blijkbaar erg tegenop.”
Voor mij is het sinds dat gesprek met die pastor een dierbaar beeld geworden voor wat bidden is: omhoog gooien, voor God gaan staan en bij tot God brengen wat er leeft in mijn hart: “Hier ben ik, zo sta ik vandaag voor u.” Dat vraagt om stilte, om aandachtig luisteren naar wat er dan echt naar boven komt. Dat kunnen grote en kleine dingen zijn, en allemaal hebben ze hun plek. Kijk maar naar het Onze Vader, het gebed bij uitstek: Jezus leert ons te bidden om de komst van Gods Koninkrijk, een wereld waarin we helemaal zullen leven zoals God ons bedoeld heeft. Voor minder hoeven we het niet te doen. En hij leert ons ook te bidden om het concrete in ons leven: dagelijks brood, zonde vergeven. Het grote en het kleine kan in de stilte opkomen, het mooie en het lelijke. En het heeft allemaal zijn plek bij God, ook het lelijke: de stilte is soms zo confronterend, omdat ook je donkere kanten opborrelen, dingen die je liever wegstopt. Ook die mogen met een gerust hart naar boven gegooid. God kent ze toch al, en ze horen bij hoe ik vandaag voor de barmhartige God sta: Dit ben ik, Kyrie eleison .
Zo kun je een biddend mens worden. Soms doe je er inspiratie aan op, soms is het moeizaam, soms is het ontroerend mooi en soms saai, en meestal is het een afspiegeling van hoe je er op dat moment bij zit. Maar dit simpele alledaagse gebed brengt een mens dichter bij God, en bij zichzelf: Ik gooi het maar omhoog, en ik kijk wel wat God teruggooit.
“Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden, en niet op te geven.”
29e zondag door het jaar C (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen