‘O Heer, ontwaak. Waarom slaapt U? Ontwaak, stoot ons niet voorgoed af. Waarom verbergt U uw gelaat? Waarom vergeet U onze ellende en nood?’ (Ps 44,24-25). Dit is maar een van de talloze klachten die over heel de bijbel verspreid zijn. Mensen roepen tot God vanuit hun ellende, maar ze krijgen geen antwoord. Niet omdat ze slechte mensen zijn - al beseft iedereen dat hij zondaar is - en ook niet omdat ze de verkeerde dingen vragen. Ze botsen aan tegen Gods hardnekkige stilzwijgen. We hoeven trouwens niet eens de Schrift open te slaan. Ieder van ons heeft soortgelijke ervaringen opgedaan. We hebben het er dan ook wat moeilijk mee als elders in de Schrift te lezen staat dat Gods ons gebed altijd verhoort.
Kreeg Jezus dergelijke klachten en vragen voor de voeten gegooid? Best mogelijk. Is zijn gelijkenis van de onrechtvaardige rechter en de weduwe bedoeld als antwoord? Ook mogelijk. Maar wat zegt Hij dan precies? Laten we eerst even nagaan wat Hij niet zegt. Hij legt niet uit hoe het komt dat mensen zo lang en vruchteloos bij God moeten aandringen. Hij zegt ook niet dat ze op de verkeerde manier bidden of dat ze stout geweest zijn en daarom niet krijgen wat ze vragen. Hij zegt enkel dat we steeds moeten ‘blijven bidden en de moed niet opgeven’.
De gelijkenis illustreert dat in vrij rauwe termen, nog rauwer dan de tekst die we nu lezen. Volgens sommige vertalers gaat de rechter uiteindelijk toch in op het verzoek van de weduwe uit vrees dat ze hem ‘een blauw oog zou slaan’. Een ondernemend dametje dus. Jezus zet een zogenaamde redenering a fortiori op: als een goddeloze rechter, uit louter egoïstische overwegingen, ten slotte toch ingaat op het eindeloze aandringen van een weerloze weduwe, ‘hoeveel meer’ zal God dan ‘recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen’. Jawel, er staat: ‘dag en nacht roepen’… Is dat nu een antwoord? Wat weten we nu meer? We weten nu weinig meer. Jezus heeft geen uitleg gegeven. Veeleer heeft Hij ons geconfronteerd met het mysterie dat God zelf is. Laten we niet vergeten dat ook Hij in Getsemane gesmeekt heeft dat de beker aan Hem voorbij zou gaan. Tevergeefs. Hij heeft uiteindelijk zichzelf in totale overgave aan God toevertrouwd.
Wat drijft de weduwe om altijd maar te blijven aandringen? Een grenzeloos vertrouwen. En dat, zegt Jezus, dat mag je nooit opgeven. Al doorzie je Gods mysterie niet en al bots je op zijn zwijgen, blijf vertrouwen. Je zult uiteindelijk niet bedrogen worden. Dat verklaart waarom er onmiddellijk na de gelijkenis een wedervraag volgt: ‘Als de Mensenzoon komt, zal Hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?’ Wat is dat geloof anders dan het vertrouwen dat het nooit opgeeft met God? Vertrouwen betekent niet: met gekruiste armen en een achterdochtig verstand op de afloop zitten te wachten. Het is veeleer ‘steeds blijven bidden en de moed niet opgeven’…
Ondernemende dame
C-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen