GELOVEN IS DANKBAAR ZIJN
Wij zijn allen een beetje melaats,
niet uiterlijk, maar wel innerlijk.
Ons hart is soms besmet door zoveel liefdeloosheid,
en dat is de ziekte waardoor wij weldra totaal afgesloten geraken
van de anderen en van God.
De liefdeloze hartvochtigheid,
waarbij wij weigeren nog enige liefde te tonen of te ontvangen,
kan als een melaatsheid onze innerlijke gezondheid aantasten.
Wie kan ons daarvan genezen?
Zoals de tien melaatsen roepen wij misschien Jezus om hulp.
Wel, aan allen, zonder uitzondering.
wordt door Jezus genezing van het hart aangeboden\
- ook aan diegenen die van op een afstand tot Hem roepen -
Elke mens, van welke ras of kleur ook,
ieder die zich, met vertrouwen op een ver woord van Hem,
op weg begeeft, kan worden genezen van de liefdeloosheid in zijn hart.
Alleen stelt niet iedereen zich de vraag
waar die liefdekracht, die genezend werkt, vandaan komt.
Velen, die het nochtans goed bedoelen,
leven vrij onbewust en oppervlakkig.
Zij genieten van de weldaden van de Schepping,
worden door allerlei diensten en mensen
geholpen en met veel zorg omringd,
maar vinden dat alles eigenlijk heel normaal en vanzelfsprekend.
Eén melaatse slechts keert terug om Jezus te danken.
Nu blijft hij niet meer op een afstand staan,
maar werpt zich in erkentelijkheid voor Hem neer.
Jezus zegt hem dat hij heeft ontdekt
door Wie hij echt genezen werd.
“Diegene in Wie gij nú gelooft, heeft u gered!”
Wanneer zijn mensen “gelovig”?
Wij worden gelovigen,
als wij de weldaden die wij elke dag ervaren, niet meer beschouwen
als dingen die heel normaal zijn of waarop wij recht zouden hebben,
maar als weldaden van God die ons van harte geschonken worden.
Natuurlijk kunnen wij niet elke moment van de week
onze erkentelijkheid tonen tegenover de Heer van het Leven.
Dat zullen wij op sommige ogenblikken
inderdaad wel uitdrukkelijk doen,
vb. in een moment van persoonlijk gebed of van viering op zondag.
Maar het gaat hem vooral over de grondhouding van dankbaarheid
gedurende de week, die invloed heeft op alles wat wij doen.
Er is reden tot dankbaarheid.
Ook al lukt ons niet alles,
ook al krijgen wij tegenslagen te verwerken,
eigenlijk hebben wij altijd
duizend keer meer reden om dankbaar te zijn
voor het goede dat toch ook gebeurd is,
dan om ons te laten overspoelen door opstandigheid of verbittering
voor hetgeen is mislukt.
Gelovigen zijn mensen die leven
met een fundamenteel “dank u” in hun hart.
En dat merkt men aan hen!
Er is inderdaad een verschil tussen iemand die dankbaar is
en iemand die zelfgenoegzaam in het leven staat.
Dat merkt men o.a. aan de manier waarop die mens omgaat
met kleine dingen: respectvol of verkwistend;
aan de manier waarop hij omgaat
met zwakkere mensen: zorgend of miskennend.
Wie gelooft, wie dus met een dankbaar hart door het leven gaat,
is blij, ook met het kleine,
leeft verbonden, ook met de zwakkeren,
voelt zich vooral erkentelijk, ook jegens de onzichtbare God.
Beginnen geloven is dankbaar zijn!
Meer geloven is meer dankbaar worden!
Wanneer worden wij dan “christelijke” gelovigen?
Als wij, om te danken regelmatig terugkeren naar Jezus.
Zoals die éne melaatse, die niet alleen erkende
dat zijn genezing van lichaam en ziel een geschenk was van God,
maar die daarbij ook durfde tonen
dat Jézus de Bemiddelaar was van Gods weldaad aan hem,
en niet de priesters van de Joodse Wet.
Eucharistie vieren is regelmatig terugkeren naar Jezus,
om Hem te danken en om naar Hem op te zien
als naar de Bemiddelaar van Gods geschenken aan ons.
Jezus geeft Zichzelf hier totaal
in de schamele tekens van brood en wijn
en toont ons daardoor heel duidelijk
dat onze liefdevolle God doorheen Zijn weldaden en zelfgave
onder ons tegenwoordig is.
Wij kunnen alleen dankbaar zijn tegenover een God
waarvan wij geen schrik moeten hebben,
maar die van ons houdt.
Jezus merkte op dat de enige die Hem kwam danken
een Samaritaanse vreemdeling was,
en niet de joden.
De streng-religieuze joden konden God eigenlijk niet danken,
wel vrezen.
Zij meenden met hun uiterlijke wetsregels
vooral verdiensten te moeten opstapelen
om hun veeleisende en straffende God te dienen,
maar intussen stootten zij de zwakkeren uit hun gemeenschap.
Jezus prees het geloof van de dankbare Samaritaan
die Hem erkentelijkheid toonde
voor de weldaden van een God,
die van de mensen geen slaafse onderdanigheid eist,
maar die hen als een Vader bemint.
In die God willen ook wij geloven.
Zijn Bemiddelaar komen wij hier danken.