Zusters en broeders,
België heeft misschien wel het beste sociale systeem ter wereld. Van de wieg tot in het graf worden we beschermd bij werkloosheid, ongeval, ouderdom en ziekte. Dokters zijn altijd bereikbaar, we hebben toegang tot de modernste medicijnen, onze ziekenhuizen genieten ook in het buitenland een bijzonder goede faam. En al bij al blijft het best betaalbaar. We mogen dus heel tevreden zijn. Wellicht kun je inzake sociale zekerheid nergens beter wonen dan in ons land.
Is een nationale ziekendag dus overbodig? Moet onze Kerk daar dan maar geen aandacht aan besteden? Alles loopt toch op wieltjes? Enfin, toch bijna alles, want perfectie bestaat nergens.
Zusters en broeders, precies in het feit dat alles op wieltjes loopt, ligt er een gevaar. Het gevaar namelijk dat we zeggen: ‘Ons vader, ons moeder, onze buur, onze kameraad, onze nonkel, onze tante ligt in het ziekenhuis, en daar is de verzorging perfect. Zo goed zouden wij het zelf niet kunnen.’ Dat is natuurlijk waar, maar misschien is er ergens iets in ons dat er stilletjes aan toevoegt: ‘Ik mag dus op mijn twee oren slapen’, en voor we het weten, gaan we onze zieken nog nauwelijks bezoeken. Ze zijn immers goed waar ze zijn, beter kunnen ze het niet hebben, ze hebben ons niet nodig.
Het is dus goed dat we ons zo nu en dan eens bezinnen over onze omgang met zieken en andere hulpbehoevenden, en de lezingen van vandaag kunnen ons daarbij helpen. In het evangelie bijvoorbeeld valt me één zinnetje sterk op. Jezus zegt tegen de tien melaatsen: “Ga u laten zien aan de priesters”, en daarmee haakt Hij in op een van de wetten van Mozes die voorschrijft dat melaatsen, om veiligheidsredenen, uit de gemeenschap moeten verwijderd worden. Alleen priesters kunnen oordelen of ze al dan niet genezen zijn. Jezus vindt dat geen goede wet. Zieken moeten niet verwijderd, en zeker niet aan hun lot worden overgelaten, zo simpel is dat. Welnu, zusters en broeders, zieken verwijderen, dat doen wij ook, niet om ervan af te zijn, maar omdat ze in een ziekenhuis beter geholpen en verzorgd kunnen worden. Maar we moeten er wel voor opletten dat we hen niet aan hun lot overlaten. Hen bezoeken, tijd maken voor hen, hen niet het gevoel geven dat ze er niet meer bijhoren. Echt met hen praten dus, over echte dingen, en niet alleen over de gezondheid en over het weer.
Ook uit de eerste lezing kunnen we iets leren. We hoorden dat de profeet Elisa weigert beloond te worden door de Syriër, Naäman, die door zijn toedoen en met Gods hulp werd genezen. Hieruit kunnen we onthouden dat als we iemand helpen, als we een zieke bezoeken, als we een boodschap doen voor iemand die dat niet meer kan, dat we dan niet altijd op een tegenprestatie, een beloning, een betaling uit moeten uit. Onze naaste helpen, doen we omdat we christen zijn, en omdat Jezus het ons zo heeft geleerd. ‘Wie in nood is, moet geholpen worden’, is zijn lijfspreuk, en het zou goed zijn als we die tot de onze zouden maken.
En uit de beide lezingen kunnen we onthouden dat we moeten leren ‘dank u’ zeggen. De Syriër die genezen werd, wil God absoluut kunnen danken, en aan de melaatse die terugkeert om Hem te danken, vraagt Jezus waar de negen anderen gebleven zijn. Danken, zusters en broeders. We babbelen zoveel, van ’s morgens tot ’s avonds rijgen we de woorden aan elkaar, maar er zitten heel weinig dankwoorden in al die overvloed. Dank aan God voor het leven, voor de liefde, voor het licht, voor alles wat we hebben en zijn, voor elkaar. En dank aan elkaar voor de soms onverdiende genegenheid, de spontane hulp, de vriendschap. Gewoon ‘dank u’ zeggen. We moesten dat veel meer doen.
Zusters en broeders, ziekenzondag is een goede gelegenheid om ons te bezinnen over ons eigen leven, over onze omgang met God en met elkaar, over onze manier om tegen het leven aan te kijken. Deze viering kan daarbij helpen. Amen.