Is dankbaarheid dan zo zeldzaam? Als iemand plotseling van een vreselijke ziekte genezen wordt, kan het toch niet anders dan dat hij zijn genezer voor eeuwig dankbaar is? Hoe is het dan mogelijk dat van die tien genezen melaatsen slechts één terugkeert om Jezus te bedanken? En die ene is dan nog een vreemdeling, een Samaritaan! Zijn mensen zo ondankbaar? Blijkbaar was ook Jezus, meer dan eens, verrast en geschokt omdat Hij bij vreemden vond wat Hij bij zijn eigen volksgenoten hoopte aan te treffen, maar niet vond. Wat dan met die negen anderen? Over hen wordt niets meer verteld, ook niet dat ze gestraft werden omdat ze aan God geen eer gebracht hadden. Dankbaarheid is geen plicht. Ze zou in een dergelijke situatie vanzelfsprekend moeten zijn. En ze is een grondhouding in het geloof.
Je kunt opwerpen dat het hier om een toch wel heel uitzonderlijke gebeurtenis gaat. Ongeneeslijk ziek zijn en plotseling genezen worden: het overkomt niet iedereen. Heel veel ongeneeslijk zieke mensen roepen ook: ‘Jezus, heb medelijden met mij.’ Maar genezing blijft uit. Een dergelijk vergeefs roepen kan leiden tot ontgoocheling en zelfs wrok tegen God. Er zijn echter ook mensen die in hun leven heel wat tegenslagen gekend hebben en toch diepgelovig zijn. De zaken liggen dus niet zo eenvoudig.
Het gaat er niet om dat wij eerst een balans zouden opmaken van de mee- en tegenvallers in ons leven, om daarna eventueel tot geloof en dankbaarheid over te gaan. In feite liggen de zaken omgekeerd. Het geloof zet er ons veeleer toe aan om dankbaar te worden. De kern van ons geloof is toch immers dat wij ons bestaan ‘gekregen’ hebben van een goede Schepper. Het evangelie leert ons de dingen zien door de bril van Gods goedheid. Het zet tot dankbaarheid aan, niet alleen voor grote meevallers (die veeleer zeldzaam zijn), maar voor de alledaagse, heel gewone dingen. ‘Goed en wel, maar we moeten er hard voor werken,’ hoor je wel eens opmerken. Een gelovig mens zal daarbij bedenken dat het hem dan toch maar gegeven is dat hij hard kon werken. Dankbaarheid vindt het vanzelfsprekende helemaal niet zo vanzelfsprekend. Geloof zet aan tot dankbaarheid. En het omgekeerde is evenzeer waar. Dankbaarheid is de humus waarin her geloof kan aarden.
We keren nog even terug naar die mensen die veel tegenslag kennen in het leven en het moeilijk hebben om dankbaar te zijn. Geloven in de goedheid van God is voor hen niet vanzelfsprekend. Maar er is in de Schrift nog een tweede weg, die evenzeer naar God leidt: het smeken, het niet-aflatende bidden en roepen om zijn hulp. Ook die melaatsen zijn al smekende naar Jezus toe gekomen. Geloof is een voortdurend heen-en-weer tussen smeken en danken, tussen danken en smeken. Alleen wie dankt, durft ook te smeken. En hij zal net zo lang smeken tot hij weer kan danken. In beide, in smeking en in dank, brengt de mens eer aan God…
Smeken en danken
C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen