Het zonnelied van Franciscus (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Inleiding op het zonnelied

Franciscus werd in 1182 geboren in Assisi als zoon van een rijke koopman. Na een periode van verkwisting ondergaat zijn leven een grondige verandering. Hij verzaakt aan een kerkelijke carrière, wijst de rijkdom van zijn ouders af en kiest ervoor om melaatsen en armen te verzorgen en enkele vervallen kerkjes weer op te bouwen. Stilaan ontstaat rond hem een beweging die op een radicaal evangelische manier gaat leven en zo een antwoord tracht te geven op de diepe impasse waarin de samenleving was geraakt.

Twee jaar voor zijn dood lag Franciscus zwaar ziek in zijn cel. Vanwege zijn oogkwaal kon hij overdag het zonlicht niet verdragen en ’s nachts was het haardvuur hem nog te veel. In zijn cel krioelde het van de muizen zodat hij niet kon slapen of bidden. Op een nacht bidt hij God om hulp, maar inwendig hoorde hij een stem die hem troost en helpt zijn ziekte te aanvaarden. De volgende morgen roept hij zijn gezellen samen en zegt: om de Heer te prijzen en mezelf te troosten en te bemoedigen en om anderen te stichten wil ik een lofzang maken op de Heer, een lofzang over zijn schepselen waarvan we iedere dag gebruik maken, die we nodig hebben om te blijven leven, waarin het menselijke geslacht de Schepper zo vaak beledigt en voor welke voortreffelijke gaven we iedere dag weer ondankbaar zijn.”
Toen ging hij rechtop zitten, trok zich terug in overweging en enige tijd later begon hij te zingen:

Zonnelied

Allerhoogste, almachtige, goede Heer
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegening.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
En geen mens is waardig U te noemen.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral heer broeder zon, die de dag is,
en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en stralend met grote luister.
Van U, Allerhoogste, draagt hij het zinnebeeld.

Geloofd zijt gij, mijn Heer,
door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt gij ze gemaakt
Schitterend, kostbaar en mooi.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht en de wolken,
het helder weer en ieder jaargetijde,
waardoor Gij uw schepselen in leven houdt.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is, nederig, kostbaar en kuis.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht.
En hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door zuster aarde, onze moeder
die ons in leven houdt en leidt
en allerlei gewassen en kleurige bloemen en kruiden voortbrengt."

“Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid.”

“Geloofd zijt gij, mijn Heer, door hen
die vergiffenis schenken door uw liefde
en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig zij die dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, zullen zij worden gekroond.”

“Geloofd zijt gij, mijn Heer,
door onze zuster de lichamelijke dood,
waaraan geen mens kan ontsnappen.
Wee hen die sterven in doodzonde.
Gelukkig wie zij aantreft in uw allerheiligste wil
Want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.”

“Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid.”

Homilie

Met dit gedicht krijgen we een diep inzicht in de religieuze beleving van Franciscus. Via een lofzang op de natuur gaat Franciscus een symbolische weg naar de diepte van zijn ziel.
Het gedicht begint met een lofzang op de grootheid van God, de Ene en Verhevene. Na deze verticale beweging slaat zijn gevoel om in een horizontale. Drie keer wordt een zuster-broederpaar genoemd:
Heer en broeder zon – zuster maan
Broeder wind – zuster water
Broeder vuur – zuster moeder aarde

Opvallend is daarbij hoe hij met een heel krachtig, vaderlijk beeld begint en eindigt met een heel moeder. De mannelijke beelden beschrijft hij als krachtig, vol groei en dynamiek, de vrouwelijke met innigheid en innerlijkheid. Het is, zo schrijft E. Leclercq alsof Franciscus via de kosmos twee aspecten in zijn eigen persoon tracht samen te krijgen. Het mannelijke en vrouwelijke principe beheersen niet alleen heel de schepping, maar vormen ook een polariteit in hemzelf die hij tot verzoening tracht te brengen. Daardoor ontstaat een gevoel van heelheid en integratie wat een dieper besef van religiositeit wakker maakt.

In dit gedicht drukt Franciscus niet alleen zijn mystieke ervaring van de kosmos, van God en van zijn diepere zelf uit, maar hij verbindt deze symboliek met zijn manier van leven. Via getuigenissen weet men dat hij altijd vol eerbied over stenen liep, omdat ze hem deden herinneren aan God die heeft gezegd een Rots voor de mens te zijn. Kaarsen of fakkels doofde hij nooit, maar liet ze spontaan uitgaan uit eerbied voor Hem die het Licht wordt genoemd. De zon was voor hem symbool van gerechtigheid en het water symboliseerde de boetvaardigheid. Via het water van de doop ondergaan we immers een eerste reiniging. Franciscus verbindt zo de Blijde Boodschap met de grote symbolen van de kosmos, die op hun beurt verwijzen naar zijn eigen, innerlijke krachten. Anders gezegd: in een periode van diepe ellende, van ziekte en lichamelijke aftakeling ontvangt Franciscus de kracht en inspiratie om de macrokosmos te verbinden met zijn eigen microkosmos en dat alles te verbinden met de kabot Adonai, de heerlijkheid van God.

Ten slotte zie je op het blad dat de laatste strofen een beetje inspringen. Het zijn enkele verzen die hij later aan het gedicht toevoegde en die betrekking hebben op de wereld van de mensen met hun conflicten, hun lijden en verdriet. Zo vindt het hele gedicht zijn laatste doel in de mens die zich verzoent met zichzelf en de ander. De grote kosmische verbondenheid krijgt zijn diepe betekenis als dit tegelijk voert tot vrede en verzoening tussen mensen. Zo eindigt dit gedicht in een diep gevoel van mededogen.

Zoeken in Preken Online