Als je je heel goed voelt, als je intens geniet van het leven, dan wil je alles en iedereen wel omhelzen. Ik hoop dat we allemaal wel eens zulke momenten hebben. En als je op zo’n moment God dankjewel zou willen zeggen, dan kun je dat ook doen zoals Franciscus gedaan heeft in zijn Zonnelied. Hij roept daarin de zon, de maan en de sterren aan om met hem God te loven. Franciscus is in zijn Zonnelied helemaal in zijn element. Franciscus roept alle elementen van de kosmos aan om God dankjewel te zeggen: de wind en de lucht, zuster water, broeder vuur en moeder aarde. Als je de hele schepping oproept om de schepper te loven, dan moet je hele bestaan wel van vreugde doortrokken zijn.
Nu is er iets bijzonders met het Zonnelied. Franciscus schreef het helemaal niet op een moment dat het allemaal rozengeur en maneschijn was. Sterker nog: hij voegde belangrijke regels toe op momenten dat hij in op grote moeilijkheden stuitte. Bij een uit de hand lopend conflict tussen een burger en de burgemeester van Assisi bijvoorbeeld. Het liep goed af, mede door de bemiddeling van Franciscus. Toen voegde hij de regel toe over degene die vergiffenis schenkt. Wie dat doet prijst de Heer daarmee. Andere gedeelten voegde hij toe na ervaringen met geweld, en tenslotte op een moment, vlak voor zijn sterven, dat hij aan een ernstige oogziekte leed. Er waren toen geen kundige oogartsen zoals nu. Een ziek oog werd uitgebrand; een pijnlijke aangelegenheid. Toch heeft Franciscus het over mensen die ziekte en verdrukking dragen. Ook zij worden opgeroepen de Allerhoogste te prijzen. En Franciscus spreekt de dood aan als een broeder.
Hoe kan dat nou; hoe kun je God in de hemel blijven zegenen en danken op momenten dat lijden en dood zich zo aan je opdringen? Dat kan alleen als je een innerlijke groei hebt doorgemaakt. Een lied als dit Zonnelied kun je alleen maar dichten als vreugde en dankbaarheid het basisgevoel voor je hele bestaan zijn geworden. Dat kan dus. Franciscus is daarin een groot voorbeeld voor ons. Welke weg is hij dan gegaan? In het Franciscaans maandblad van september las ik het volgende: Franciscus’ liefde voor de natuur is geleidelijk ontstaan. Het is een moment van zijn ontwikkelingsgang naar een alomvattende broederschap. Hij begon met de melaatsen, ging verder met zijn medebroeders, ontdekte toen dat ook vrouwen erbij hoorden en nam ook moslims op in zijn verlangen naar een wereld waarin iedereen broeder en zuster van elkaar is. Ergens in die ontwikkelingsgang kwam hij vogeltjes tegen die tot zijn verbazing niet wegvlogen. Toen begon hij tot ze te preken. Een vertrouwvolle omgang met de dieren komt ook bij veel andere heilige voor. Eigen aan Franciscus is dat hij ze broeders en zusters noemt, zijn gelijken.
In de krant las ik dat bij een onderzoek was gebleken dat de opwarming van de aarde heel veel mensen bezighoudt. We merken aan den lijve dat het klimaat verandert. De winters worden zachter; de bloei van allerlei planten verschuift naar voren. Het aantal wervelstormen in de wereld neemt toe, de poolkappen smelten. Dit alles drukt ons op het feit dat we met al onze vezels met de aarde verbonden zijn, en dat we niet zomaar alles met de aarde kunnen doen.
Hoe ziet Franciscus de schepping in zijn Zonnelied? Er zijn drie manieren waarop hij naar de schepselen kijkt. Om te beginnen zijn we voor ons mensen nuttig en bruikbaar. Moeder aarde houdt ons in leven. Daarnaast zijn de schepselen voor hem een bron van verwondering en van genieten. Als hij kijkt naar de zon, die straalt met grote luister, dan roept dat een grote eerbied bij hem op. Alle schepselen, en niet alleen de mensen, krijgen zo een waarde in zichzelf. Het derde element is dat voor Franciscus de schepselen een verwijzing zijn naar God, naar de Schepper. Thomas van Celano, de biograaf van Franciscus, zegt daarover: “Al het geschapene was voor Franciscus een ladder om op te klimmen tot Gods troon”.
Voor ons is dit niet zo gemakkelijk in te voelen. Misschien zullen wij een ander beeld gebruiken. Ik zou eerder zeggen: al het geschapene kan een ladder zijn om af te dalen naar ons diepste zelf, naar onze ziel. Is het niet zo dat veel mensen rust en troost zoeken in de natuur? Daar kunnen onze drukke gedachten tot rust komen; daar komen we tot onszelf en kunnen we makkelijker van binnenuit tot God bidden. In de natuur, juist in de herfst, kunnen we troost vinden. Misschien ontdekken we dan dat net als bij Franciscus op de diepste bodem van onze ziel vreugde ligt, en dankbaarheid voor ons kwetsbare maar toch ook prachtige bestaan. Amen.
Het zonnelied (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen