Beste lezer, lezeres,
Voor ik inga op de lezingen van deze zondag, roep ik eerst een beeld op dat u mogelijk ook gezien hebt op het journaal van vrijdagavond of in de krant van zaterdag. Het betreft het verslag van de uitreiking van eretekenen aan militairen die zijn teruggekeerd uit Afghanistan. Ik zag een vrouwelijke soldaat, in een rolstoel, met de wit omzwachtelde stomp van haar linkerbovenbeen. Het schokte me: zijn Nederlandse vrouwen dan ook bij gevechten betrokken? Maar vooral kwam ik diep onder de indruk dat die soldate zich zo liet zien: als invalide, iemand die anders in het leven is komen te staan, die mogelijk een nieuwe draai aan haar leven moet geven. Ze had zich kunnen excuseren. Maar ze stelde zich bloot aan onze ogen. Zij had de moed te laten zien dat ze er bij hoorde en nog steeds meetelde. Ze onderscheidde zichzelf. Dat maakte nog meer indruk op mij dan de onderscheiding die ze kreeg. Wensen wij haar sterkte toe voor nieuwe overwinningen.
De eerste lezing geeft ons een beeld van God, die feilloos indruk weet te maken als een gewiekste politicus.
De profeet jammert, (daar is hij profeet voor!) : “Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Hoe lang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt?”
“De Heer gaf mij ten antwoord: Schrijf het visioen op, zet het duidelijk op schrift, zodat men het vlot kan lezen…Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat.”
Het is alsof ik luister naar politici die een nieuwe regering of een nieuwe gemeente presenteren: “Ja, nu breken er echt nieuwe tijden aan! Ik geloof het zeker”.
Dat is de God van mooie woorden, die ik in de bijbel en in de plechtige woorden van de kerk zo vaak terughoor. Nood en onrecht die eventjes, bijna ontroerend, verdoofd worden met visioenen en beloften. Net als een politicus valt een dergelijke God meestal tegen.
Daarnaast bestaat de God, tot wie Jezus bad: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge me verlaten? En ook: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.” De God die Jezus heeft ondergaan, beleefd heeft en heeft ondergaan in zijn goede en kwade dagen en die ik verbeeld zie in de twee handen die de aardbol, vol goed en kwaad, vol oorlog en vrede, vol rijk en arm, vol honger en dorst, vol geven en nemen, blijven vasthouden. Vasthouden, waar onze handen aan mee kunnen doen.
Het evangelie begint met de vraag van de apostelen: “Geef ons meer geloof.” Zij verstonden geloof nog niet als wetten, voorschriften en vooral verboden waaraan ze zich te houden hadden of als dogma’s en waarheden die ze moesten accepteren.
Hun vraag werd ingegeven door de manier waarop hun meester zich gedroeg.
Jezus liet zich raken door dingen om hem heen: eten en drinken, bloemen in het veld, vogels in de lucht, kinderen, mensen die pijn hadden en die niet meetelden. Hij had aandacht voor mensen, meer dan voor instanties. En hij luisterde naar een stem en inzichten die van “elders” kwamen. “Vanwaar heeft hij dat gezag?” vroegen zijn tegenstanders.
Behalve waarheid van de leer is er de ervaring van schoonheid, broosheid, kostbaarheid, geborgenheid die me kan raken als de zachte voorpoot van mijn kat als ze iets van me wil. Niet als een geweerschot of harde muziek maar als een bloem, het flikkeren van een ster, de zachte warmte van de herfstdagen. Zo’n ervaring dringt zich niet op.
Het geloof waar de apostelen om vroegen bestaat er in dat we, juist als Jezus, aandacht geven aan die flitsen en korte momenten die ons even opnemen in een onbegrensde wereld, waar we ons geborgen voelen. Aandacht voor die momenten maakt andere mensen van ons.