* De apostelen zeiden tot Jezus: “Geef ons meer geloof.” En Jezus antwoordde nogal stoer: “Als ge een geloof hadt als dit kleine mosterdzaad, zoudt ge aan die moerbeiboom bevel kunnen geven zijn wortels los te maken en zich in de zee te gaan planten”. Nogal sterk. De moerbeiboom of sycomorus is de reuzenboom, die volgens de rabbijnen het allermoeilijkst kon worden ontworteld. In Mt 17,20 horen we hiervan een variant: Niet deze “valse plataan” maar een berg zult ge verplaatsen: een geloof dat bergen verzet. Sterke beeldspraak was niet vreemd aan de Hebreeuwse taal.
- Wat is het geloof, waar Jezus over spreekt ? Het gaat niet in de eerste plaats over een hoopje kennis of weetjes. Ook gaat het niet over een levensbeschouwing, die ik zelf voor mij maak (elk zijn geloof). Het gaat wel om een sprong naar de levende God. Een “ja” zeggen, een overgave van de gehele mens (met zijn denken, voelen, willen en handelen) aan het spreken van God. Het spreken van God is het uitgangspunt: “In den Beginne was het Woord.” (Joh. 1,1) Anders gezegd: geloven speelt zich altijd af in de luisterende ik-U-verhouding met God. Vandaar dat het Verbond van God met zijn Volk uitgedrukt werd als de liefderelatie van een Bruidegom tegenover zijn bruid. Daarom wordt het woord “geloof” in andere vertalingen ook vervangen door “vertrouwen”. Het is een zaak van geest en hart.
En dat geloof is een gave, een geschenk. God is pure zelfmededeling. Hij is de zaaier die kwistig zaait. Zijn woord vliegt overal rond. Alleen in de ontvankelijke bodem zal het ontkiemen en groeien. Het secreet van het geloof ligt in deze ontvankelijkheid, deze receptiviteit tegenover Gods Woord. Met een gesloten samengebalde vuist ontvangen we geen water; alleen met de open hand, in de holte van de hand. Geloven vergt nederigheid. Wij hebben er geen verdienste aan. Het behoort tot Gods mildheid en vrijgevigheid. De gratuïteit van God. Zo verstaan we best de parabel die erbij aansluit: wij zijn gewone knechten, die niet zomaar aanspraak kunnen maken op rechten (Lc 17,10).
- Dit spreken van God heeft een inhoud. Die inhoud hebben wij niet uitgevonden. Die komt niet van ons. Zijn boodschap ligt uitgesmeerd over zoveel bijbelboeken, werd doorheen de traditie uitgediept, en in de geloofsleer door de Kerk samengevat. Om ons die inhoud eigen te maken moeten we gewoon biddend in het evangelie binnenstappen, die boodschap in onze bloedsomloop opnemen. Ernaar leven. En dan van binnenuit ervaren dat die boodschap goed en juist is. Dat zei de wijsgeer Maurice Blondel. Het is wat die bekeerde vrijmetselaar ooit zei: " Il ne faut plus prouver, mais éprouver." We moeten niet meer bewijzen maar ervaren. Dat is het was Johannes ons in zijn eerste brief schrijft over de “zalving van de H. Geest” (I Joh. 2, 20,27). Het is de bijzondere antenne, de feeling, een criterium, een onderscheidingsvermogen, dat we vanuit de evangeliebeleving en het gebed hebben meegekregen.
De bekoring van het geloof in de Kerk is altijd daar geweest, waar we niet Gods woord, maar we ons beperkt menselijk denken, onze eigen redenering als uitgangspunt verkozen. Dat gevaar is er vandaag zeer sterk. Omdat de hedendaagse mens zich autonoom voelt. Daar is de bedreiging van de valse profeten die ook vandaag bij ons komen, en charmerende conferenties geven, die op een verbluffende wijze het geloof in een persoonlijke God, de menswording en de verrijzenis op de helling stellen. Deze dingen immers staan haaks op de hoogmoed van de geest die niet wil openstaan voor het mysterie. God is mysterie. God overtreft ons. Hij is de gans Andere. Wie als gelovige , getekend met die zalving van de H. Geest, van dergelijke zgz bijbelavonden naar huis terugkeert, voelt zich in zijn hart niet heel gelukkig. Zijn antenne zegt: het is toch niet dat wat we nodig hadden. Dat kan van Gods Geest niet komen. En dan begrijpen we beter Jezus’ woorden: " Ik prijs U, Vader van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen." (Mt 11, 25)
* Geloven is daarom stappen in het duister, met Christus als licht. Het is vaak stappen door de woestijn en de nacht. Maar stappend in het donker zien we gaandeweg steeds meer. De oogpupillen gaan open. De dode vlekken van het ongeloof lossen op. Het wordt een nieuw zien. Het wordt een deelname aan het grote Leven. Voor een christen is het een zaak van leven of niet-leven, een zaak van zijn of niet-zijn. Merkwaardig is het oorspronkelijke maar veelbetekenende slot vh Johannesevangelie: " Deze dingen zijn opgetekend, opdat ge zoudt geloven,… en opdat ge door te geloven Leven moogt bezitten in zijn Naam." (Joh. 20, 31)