“Hoe lang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Waarom laat Gij mij onrecht lijden? Waarom moet ik leven te midden van geweld, verdrukking, twist en tweedracht? Waarom, God, laat Gij dat allemaal toe?”
Zusters en broeders, 2600 jaar geleden al stelde de profeet Habakuk dezelfde vragen als wij vandaag: “Waarom, God, laat Gij het allemaal toe? Waarom laat Gij vliegtuigen neerstorten op mensen? Waarom lijden er honderden miljoenen mensen honger? Waarom grijpt Gij niet in in de burgeroorlog in Soedan, in het Israëlisch-Palestijns conflict, in Tsjechenië? Waarom laat Gij toe dat mensen gemarteld worden, opgesloten, verkracht, vermoord? Waarom doet gij niets tegen het misbruik van kinderen, tegen de vrouwenhandel, tegen het fundamentalisme, tegen het terrorisme? Waarom verhindert Gij niet dat jonge moeders en jonge vaders sterven? Waarom zet Gij daardoor hun kinderen in de kou?”
Zusters en broeders, ieder van ons heeft die vragen al gesteld, en misschien hebben we ze ook al op een andere manier horen stellen, namelijk: “Als God bestond, zou Hij dat allemaal niet toelaten.” Of: “Als God toch zo’n goede Vader en Moeder is, waarom zorgt Hij dan niet beter voor zijn kinderen?”
Zusters en broeders, het zijn vragen die van heel diep komen, want ze gaan over dingen die ons in ons diepste zelf aangrijpen: leven en dood, geweld en onderdrukking, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, schandalige rijkdom en mensonwaardige armoede, en dagelijks televisiebeelden die er niet om liegen. Ik weet niet hoe gij zijt, maar ik kan die beelden niet meer zien, die beelden van uitgemergelde moeders, van kinderen met hoofden als doodskopjes, lijfjes als kapotgestampte colablikjes, en beentjes als gebroken lucifers. Ik kan het niet meer zien, ik moet me wegdraaien. En dan gaat het onverbiddelijk door mijn hoofd: “God, waarom? God, waar zijt Ge? God, waarom doet Ge er niets aan?”
Zusters en broeders, op die vragen zijn er twee antwoorden. Een menselijk en een goddelijk. Eerst het menselijke. En dat is zeer eenvoudig: niet God, wel de mens is verantwoordelijk voor veruit het meeste lijden. Niet God moordt en brandt en plundert en hongert, wel de mens. Niet God heeft de wapens gemaakt waarmee dorpen en steden worden uitgemoord. Niet God boort vliegtuigen in gebouwen, niet God sleept vrouwen uit hun huizen en kinderen in auto’s om ze te misbruiken, niet God plaatst bommen in drukke straten. Niet God pleegt al deze misdrijven, wel de mens. We zouden dus beter ophouden met God verantwoordelijk te stellen voor dingen die we zelf doen. Maar misschien is het wel typisch voor onze soort dat we het nooit zelf geweest zijn, maar altijd anderen. In dit geval dus God. Hij is de eindverantwoordelijke, dus is het allemaal zijn schuld. Hij zou dus beter aftreden.
Maar misschien luisteren we best ook eens naar het goddelijke antwoord, en dat luidt als volgt: God wil het kwade niet, Hij wil het goede. ‘Blijf maar geloven’, zegt Hij tegen Habakuk, ‘Ik breng het wel in orde.’ Zoals wel meer het geval is, stuurt Jezus een beetje bij, want Hij zegt: ‘Blijf maar geloven, dan brengt gij het wel in orde, mét God.’
Zusters en broeders, niet God gaat het voor ons oplossen, nee, dat moeten we zelf doen, met zijn hulp. Geloven alleen is niet voldoende; we moeten doen. Geloven is een werkwoord. Doen, zegt Jezus. Zoals dat mostaardzaadje. ‘Als ge het geloof hadt van zo’n zaadje’, zegt Hij, ’ zoudt ge tegen een moerbeiboom zeggen; ontortel uzelf, en plant uzelf in de zee. En die boom zou gehoorzamen.’ Straffe taal is dat, want zo’n moerbeiboom kan honderden jaren oud worden, en heeft een enorm stevig wortelgestel. Dus moeten we zoeken achter het beeld, en dan komen we alras tot het inzicht dat wijzelf die boom zijn, en dat Jezus dus zegt: ‘Ruk uzelf los uit uw egoïsme, uw materialisme, uw gemakzucht en uw pleziertjes. Los daarvan, zegt Jezus, plant uzelf in zee.’ En de zee, dat is niet zomaar heel veel water, nee, dat is de bron van alle leven. De zee, dat is in dit beeld dus God. En zo is het duidelijk wat Jezus bedoelt: ‘Blijf niet hangen in de aarde, maar leef in God, leef met God. Pas dan kun je je inzetten voor zijn droom, pas dan breng je Hem aanwezig in deze wereld. Pas dan onderdruk je de oorlog, maak je de woestijn weer vruchtbaar, roei je honger en ellende uit. Pas dan laat je het goud regenen voor de bedelaar en verlam je de arm van de beul, de moordenaar, de terrorist, de uitbuiter. Pas dan kun je vanuit God en met God voluit zeggen: ‘Zie, ik maak alles nieuw.’
Laten we dat doen, zusters en broeders: alles nieuw maken, alles vredevol maken, voor iedereen. Vanuit ons geloof. Met en in God. Amen.