Zusters en Broeders,
U en ik, wij allen, die het evangelie geregeld beluisteren en/of lezen, worden telkens weer met twee vragen geconfronteerd. Twee vragen of bemerkingen komen als een refrein in het lied dat geloven heet, telkens weer terug.
De eerste vraag is de gemakkelijkste.
Ze luidt, elke keer opnieuw: over wie gaat het hier?
Het antwoord is eenvoudig: het gaat over ons; en over ‘God met ons’. Over hoe God zijn geschiedenis schrijft met en doorheen ieder van ons afzonderlijk, en samen, als gemeenschap evenzeer.
De tweede vraag is al heel wat moeilijker, heel confronterend ook dikwijls:
Wat wordt er gezegd? Wat is de boodschap voor ieder van ons vandaag, hier en nu, in het leven dat wij doormaken.
Nu en dan is die boodschap bijna vanzelfsprekend. Meestal vraagt ze een oefening, een moment van bezinning.
Heel zeker het evangelie dat we komen te beluisteren.
Het heeft een beetje een wrange nasmaak, en ergens ontgoochelt het ons ook iet of wat, waar het ons Godsbeeld betreft. Want we verkondigen toch een God van liefde, en van barmhartigheid en van vergevingsgezindheid. En hier lijkt God toch wel bijzonder onverzettelijk en hard. Moest hij nu toch eens die rijke uit de vlammen van het vuur redden… Geef toe, wij zouden gerustgesteld zijn, gerustgesteld omdat we vermoeden, sterker nog, goed weten:
Die rijke, dat zijn wij.
En dan moeten we het nog niet eens verstaan als rijk zijn aan geld of bezit.
Het is geen zonde van het goed te hebben. Het is geen zonde van een mooi huis te bewonen. Het is geen zonde van goed en fijn gekleed te gaan. Het is geen zonde om gastvrij mensen te ontvangen.
Maar het is zonde van het allemaal voor onszelf te willen houden.
En dan nog, niemand vraagt van alles weg te geven.
Zijn voedsel delen met wie arm is en honger heeft, dat is genoeg.
En dat is juist wat die rijkaard niet doet. Hij geniet en dat is mooi, en goed. Maar hij deelt niet, hij ziet niet verder dan eigen buik, en eigen beurs, en dat is zonde.
We zijn niet meer gewend van over zonde te horen spreken.
We zijn niet meer gewend van over zonde na te denken.
En als we er al over nadenken, dan gaat het nog heel vaak over zonde tegen dat fameuze zesde gebod. Alsof alleen daar mensen uitglijden. En alsof dat erger zou zijn dan een zonde tegen de andere geboden…
Eigenlijk speelt de zonde in het evangelie dat we hoorden een hoofdrol.
Ze staat gedurig op scene.
Die kloof waarover het gaat, dat is zonde.
Zonde is datgene wat kloven slaat tussen mensen.
En die kloof is er niet alleen in het hiernamaals.
Ze is er al, hier en nu, in wat we het hierNUmaals zouden kunnen noemen.
De rijke man kan over de hellekloof niet heen, omdat hij nooit de kloof heeft overbrugd bij leven en welzijn.
En laat ons eerlijk zijn, goede mensen, kloven slaan wij allemaal.
En bruggen bouwen over die kloof, dat kunnen wij ook allemaal.
Maar doen we het wel?
En als we het niet doen, wat houdt er ons tegen? Onze trots? Ons eergevoel? Iemand anders die van een conflict zou kunnen profiteren? Ik weet het niet. Maar kloven zijn er veel te veel…
En bruggen veel te weinig.
Zusters en broeders,
Wij zijn christenen.
Wij hangen een God aan die Liefde is.
Wij zouden liefdesmensen moeten worden, veel meer dan we het nu al zijn.
Met heel veel respect voor het anders zijn van de ander, naar die andere toegaan, en bruggen slaan van solidariteit als het kan, van delen als het moet,
Van vergeven en ruzies uitpraten, elke keer opnieuw.
Christenen zijn zij die moedig genoeg zijn de eerste stap te zetten…
Christenen bouwen bruggen van vrede.
Wij ook?
Amen.
26e zondag door het jaar C - 2004
C-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen