Zend Lazarus naar hen (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

ZEND LAZARUS NAAR HEN

* De parabel van de rijke en de arme Lazarus is een tweeluik. Hij biedt het contrast tussen onze wereld en het leven aan de overkant. Ook elke luik biedt een contrast: de arme tegenover de rijke.

* Het is opnieuw de sociaal voelende Lucas die ermee aankomt. Hij laat ons de arme en de rijke zien met de ogen van God. Doch er is meer. De parabel is tevens een antwoord op de gistende vraag in die dagen: “Dat iemand van de overkant maar eens terugkomt en ons een teken komt geven. Dan gaan we ons bekeren.” Die vraag leeft ook bij ons. Wij willen tekenen, eisen bewijzen.

1. In het eerste luik zien we het contrast tussen de arme en de rijke in deze wereld.

  • Achter de gesloten poort van zijn rijke woning brast een rijkaard elke dag met zijn vrienden. Zijn deurkadertje bevat geen naam. Mogen wij er wellicht onze eigen naam in schrijven ? Rijk mag hij zijn. Maar hij ziet niet en hoort niet. Hij leeft afgestompt voor de schrijnende noden buiten. Hij heeft geen weet van de arme die elke dag voor zijn luxueus portaal aan het bedelen zit. Voor ons lijkt hij het symbool van ons economisch rijke noorden tegenover de armoede en de honger in het zuiden.
    \
  • Die arme heeft wel een naam. Lazarus (Eliëzer, God helpt). Hij is bij God bekend. Hij draagt zelfs de naam van een vriend van Jezus. Doch hij is verlamd en met een huidziekte aangetast. Hij zou zich graag verzadigen met de brokken die van de broodkoeken vallen, waarmee de gasten na de maaltijd eerst hun vette handen droog vegen. Maar de straathonden zijn hem telkens hierin voor.

    * De parabel gaat terug naar een Egyptisch sprookje, door Joden uit Alexandrië overgebracht. In Jezus’ mond krijgt het een verdiepte en nieuwe inhoud. Jezus herweeft dit verhaal op het stramien van psalm 72/73, die met nog andere psalmen is verwant. Daarin horen we de arme: “Ik was eerst afgunstig op de dwazen. Ik keek steeds naar de welstand der zondaars. Kwalen hebben zij niet. Gezond en welgedaan is hun lijf. Zij delen niet in de kommer der mensen… Hun halssnoer is hoogmoed. Roof is de mantel die hen omhult. Hun ogen puilen uit hun vet. Van waangedachten loopt over hun hart. Aan brood verzadigen ze zich, en voor hen is volop water te vinden… Ze zeggen: ‘Hoe zal God het weten ? Weet de Allerhoogste wel iets ?’ En grenzeloos onbekommerd worden ze altijd maar rijker…” – Een echo hiervan hoorden we in de 1ste lezing (Amos 6,1-7).\

2. Het tweede luik voert ons binnen in de wereld aan de overkant.

  • Beide figuren zijn intussen overleden. En nu worden de rollen geruild. Jezus sluit aan bij de voorstelling van het hiernamaals, zoals het bij de Joden toen courant was: een overgangszone tussen dood en verrijzenis: Hades, de onderwereld. In een situatie van pijnlijke loutering ziet de rijke nu van op afstand zijn stamvader Abraham, zijn gewaande borg en zekerheid. Johannes de Doper had het al duidelijk gemaakt: “Neem niet een houding aan alsof u bij uzelf zegt: We hebben Abraham tot vader (Mt 3,9), maar brengt vruchten voort die passen bij bekering.” (Mt 3,8). Hij bemerkt de arme Lazarus ‘in diens schoot’. Feitelijk: aan zijn boezemzijde, zijn rechterzijde, zoals Johannes op het laatste avondmaal aanlag aan Jezus’ rechterzijde. Dit is de ereplaats aan tafel.
    \
  • De rijke beseft nog niet dat de rollen hier omgewisseld zijn. Hij wil dat Lazarus (Eliëzer) hem bedient als zijn slaaf. Een andere Eliëzer was toch ook ooit de knecht van vader Abraham: “Vader Abraham, geef Lazarus opdracht zijn vinger in water te steken… En wil hem naar het huis van mijn vader sturen, want ik heb nog vijf broers. Zend Lazarus naar hen. Dat hij ze waarschuwt. Als iemand uit het dodenrijk terug komt, zullen ze zich vast bekeren”. – Hiermede speelt Jezus in op de toen heersende vraag: “Geef ons een teken. Spring van de tinne van de tempel. Kom van uw kruis af…” En Jezus had reeds geantwoord dat geen ander teken zou gegeven worden dan dat van de profeet Jonas (Lc 11,29-30). Het valt op dat Jezus in zijn parabel die arme man de naam ‘Lazarus’ gaf. Het was precies zijn vriend - ook ‘Lazarus’ - van Bethanië, die Hij uit het graf heeft opgewekt en liet terugkeren. De Joden brachten toen het ophefmakend gebeuren over aan de Farizeeën. Het sanhedrin kwam in spoedvergadering bijeen. Ze besloten Jezus op te ruimen (Joh 11,45-53). Dit wonder van de terugkeer uit de overkant bracht juist geen geloof maar verharding.

    * Abraham zei veelbetekenend: “Ze hebben Mozes en de profeten. Naar hen moeten ze luisteren”. De weg van het geloof is niet het spektakelmirakel, maar bestaat in het luisteren naar Gods woord. Jezus is het Woord. Hij is zelf is uit de doden opgestaan, en is teruggekeerd. Zijn woord werd aan de Kerk toevertrouwd. Zij staat borg voor de betrouwbaarheid ervan. Ook vandaag wordt het woord naar u gebracht door hen die van Godswege gezonden zijn. Wil dan vanuit dat luisteren uw hart openbreken en aandacht geven aan zusters of broeders in nood. - Psalm 72/73 eindigt met de dankende verzuchting van de arme: “Gij hebt mij bij de rechterhand gevat. Gij neemt mij op in uw glorie. Wie heb ik naast U in de hemel ? God blijft voor eeuwig de rots van mijn hart. Die ver van U zijn, komen om. Mij is het goed bij God te zijn. Bij Hem vind ik toevlucht en verhaal ik zijn werken.”

Zoeken in Preken Online