Zusters en broeders,
Wellicht is geen profeet zozeer tegen de rijken tekeer gegaan als de schaapherder Amos. Heel zijn profetenleven heeft hij gehamerd op het onrecht van de rijkdom en de schande van de armoede. Heel zijn leven ook heeft hij gepoogd de muur tussen arm en rijk te slopen. Bijna zonder ophouden geeft hij de rijken ervan langs, en niet zuinigjes ook. Zoals vandaag. Volgevreten liggen ze aan hun kant van de muur, de rijke kant, de kant van de zelfvoldaanheid, van het schransen zonder honger en het drinken zonder dorst, en voor de ellende van de armen hebben ze niet de geringste belangstelling. Het zal hun allemaal zuur opbreken, dreigt Amos.
Jezus vertelt hetzelfde verhaal, maar zoals bijna altijd personaliseert hij het. Hij geeft de arme een gezicht en een naam, de rijke evenwel blijft naamloos. En binnen zijn verhaal schetst Hij een tafereel. Een vreselijk tafereel, waarin niets beweegt: de rijke feest, schranst en drinkt, de arme, Lazarus, ligt met zweren overdekt voor zijn poort. Wie weet, misschien valt er wel iets van tafel bij die rijke. Je weet maar nooit.
Ik heb er bij een vorige gelegenheid al op gewezen: Jezus’ verhalen zijn en blijven universeel. Je kunt ze in alle talen en culturen vertellen, ze blijven kloppen. Tot op vandaag. Het is inderdaad of Hij dit verhaal vandaag vertelt. Je ontmoet het in elk derde- en vierdewereldland. In de steden leven de rijken in paleizen van waanzinnige weelde, op de buiten hebben ze boerderijen met honderdduizenden hectare weiden en akkerland. Met enkelen bezitten ze zowat het hele industriële apparaat van hun land. En aan hun voordeur, onder de muren van hun stevig bewaakte rijkdommen, staan de krotten van de armen. Miljoenen armen, dikwijls zonder werk, zonder water, zonder elektriciteit,zonder eten. Velen leven op vuilnisbelten, op de resten van de stedelijke welvaartsmaatschappij die niet de hunne is. En net zoals in de wereld van Amos en in het verhaal van Jezus blijven de rijken blind voor het onrecht, de ellende, de miserie van de armen. Beter gezegd: ze staan er totaal onverschillig tegenover. Het is hun zaak niet. Of nog beter gezegd: is er wel een zaak?
Zuster s en broeders, allen kennen we die vreselijke waarheid omdat we ze zien op televisie, omdat we erover lezen, omdat ze met de regelmaat van de klok in de kerk wordt aangeklaagd. Waarbij we moeten opletten voor iets. We moeten namelijk niet denken dat het bij ons anders is. Ook bij ons groeit de armoede elke dag, ook bij ons moeten meer en meer mensen leven van voedselpakketten, ook bij ons liggen er in elk metrostation bedelaars te wachten of er misschien wel eens iets van onze tafel zou kunnen vallen, je weet maar nooit. En ook wij verschansen ons en onze rijkdom achter stevig bewaakte muren tegen alles en iedereen die een beetje zou willen meegenieten van onze overvloed. Tegen asielzoekers dus en gastarbeiders en vluchtelingen , en tegen iedereen van wie we menen dat hij of zij daar geen recht op heeft.
Zusters en broeders, ik denk dus dat we er ons moeten voor hoeden het verhaal over Lazarus en de rijke vrek te beschouwen als een verhaal dat zich buiten ons om afspeelt, een verhaal waar wijzelf niets mee te maken hebben omdat wij van onszelf denken dat we geen rijke vrekken zijn. Ik denk ook dat we ons eens in alle eerlijkheid moeten afvragen waar wijzelf in dat verhaal staan. en welke rol wij erin vertolken. Waarbij we vooral niet uit het oog mogen verliezen dat het geen verhaal is, maar pure, keiharde werkelijkheid, ook onze wekelijkheid.
En verder, zusters en broeders, denk ik dat we er ons zeker moeten voor hoeden dat verhaal te misbruiken. Zoiets als: ‘Je ziet toch maar dat Lazarus ten slotte de winnende partij is. In de eeuwigheid valt, dank zij God, alles mooi in de plooi. We hoeven de armen dus niet zo nodig te helpen, anders missen ze misschien nog hun beloning in de hemel.’ Dat is een redenering uit het verleden, een ronduit cynische en totaal onchristelijke redenering. Ga immers maar eens na voor wie Jezus zijn hele leven lang is opgekomen. Juist, ja, voor de armen, de blinden, de kreupelen, de melaatsen, de kansarmen, de uitgestotenen. Nooit heeft Hij hun met een belofte op een mooi hiernamaals zoet gehouden, nee, Hij heeft hen altijd geholpen, zonder voorwaarden te stellen, letterlijk totterdood.
Zusters en broeders, ik heb er ook al op gewezen dat er aan de verhalen van Jezus altijd ten minste twee kanten zijn. Welnu, hier gaat het nog verder: hier heeft zelfs de naam Lazarus twee kanten. Lazarus betekent immers “God helpt je”, en dat is zonder meer dubbelzinnig. De belofte is gericht tot Lazarus, en ze houdt in dat God hem niet in de steek laat, ook al ziet er op aarde niemand naar hem om. Maar “God helpt je” is ook gericht tot ons. God helpt ons inderdaad om goed en rechtvaardig en liefdevol te zijn doordat onze wegen altijd zullen gekruist worden door mensen voor wie we goed en rechtvaardig en liefdevol kunnen en moeten zijn. Mensen die ons nodig hebben. Mensen met wie God zich graag vereenzelvigt. “Wat ge aan de minsten der mijnen hebt gedaan, hebt ge aan Mij gedaan”, zegt Jezus onomwonden.
En daar, zusters en broeders, kan ik niets aan toevoegen en ik hoef er ook niets aan toe te voegen. Amen.