Dit is een oud verhaal, weten de commentatoren ons te vertellen, dat teruggaat op een oude Egyptische folkloristische vertelling. Het begint ook als een oud verhaal, als een sprookje: ‘Heel, heel lang geleden was er eens een rijke man…‘ Maar het is geen oud verhaal. Het is ons verhaal. Een verhaal van iedere tijd, ook van onze tijd. Dat is wellicht de reden dat dit de enige parabel is waarin iemand met een naam genoemd wordt. De rijke heeft in dit fragment geen naam. Die wordt aan onze verbeelding, of misschien beter aan ons begrip overgelaten. De arme man op de stoep bij de poort, vol zweren en uitslag, te lamlendig om zelfs de beter gevoede honden rond hem af te weren, heeft wel een naam. Hij is degene die voor de verteller telt. De man heet Lazarus, hetgeen betekent ‘God heeft geholpen'.
Jaren geleden, in 1975, tijdens een vergadering van de Wereldraad van Kerken in Nairobi merkte een Nederlandse deelnemer op, toen hij daar dagelijks met armoede werd geconfronteerd, dat hij Kenia een prachtig land vond, maar dat hij blij zou zijn als hij terug was in Nederland. Want, zo zei hij: ‘Daar heb ik die armoe niet aan mijn deur, ik zou daar op den duur niet tegen kunnen!’ Hij had gelijk, maar hij had ook ongelijk. De afstand tussen hem en die armoede zou groter worden. Maar die armen blijven ook in Nederland aan zijn deur liggen. Het gaat juist om die afstand!
Lazarus ligt bij ons voor de deur. Als dat zo is, dan schrijft Amos over ons: ‘… zij liggen op ivoren bedden, en strekken zich uit op hun sofa’s; zij eten lams- en kalfsvlees; ze verzinnen liedjes en spelen op hun piano’s alsof ze Mozart zelf zijn; ze drinken de nieuwe oogst Beaujolais uit ruime glazen en parfumeren zich duur, maar om Jozefs ondergang bekreunen ze zich geen cent.'
In het verhaal sterft eerst de arme man en dan de rijke. De rijke krijgt een prachtbegrafenis, de arme blijft onbegraven, maar wordt door de engelen de schoot van Abraham opgedragen. Als de twee elkaar weer zien, zijn de rollen omgekeerd. Niet door menselijk toedoen maar door God. Een ding blijft hetzelfde in de verhouding tussen de twee. Een omstandigheid wordt door God voor goed gefixeerd: de afstand die de rijke man tijdens zijn leven geschapen had tussen zichzelf en de bedelaar aan zijn deur. Dat ondanks het feit, dat nu zelfs blijkt dat hij de man inderdaad aan zijn deur had zien liggen. Hij herkent hem onmiddellijk als hij hem in het dodenrijk ziet, en hij herinnert zich zelfs zijn naam! Het is die afstand die blijft bestaan, en die nu niet meer is te overbruggen. Dat is onmogelijk geworden.
Een provocerend verhaal? Dat is het zeker. Zo is het ook bedoeld en de laatste conversatie tussen de rijkaard en Lazarus maakt dat nog erger. De man die hier op aarde zijn tong aan al het lekkere eten schroeide, en die nu niet eens een druppel water kan krijgen om die af te koelen, heeft een tweede verzoek. Hij vraagt Abraham of hij Lazarus niet naar zijn andere rijke broers kan sturen om die te waarschuwen. Als Abraham hem antwoordt dat Mozes en de profeten voor hen genoeg dienen te zijn, houdt hij aan en zegt: ‘Als er iemand uit de doden oprijst om hen te waarschuwen, dan zullen ze zich bekeren,’ waarop Abraham zegt: ‘Dat doen ze immers ook niet als er iemand uit de doden opstaat.'
Voor de christelijke lezer is er iemand uit de doden opgestaan, Jezus Christus zelf. Dezelfde Jezus, die hier dit verhaal vertelt, en zo op het verzoek van de rijke man in het verhaal ingaat! Een verhaal binnen een ander verhaal. Een verhaal met een onontkoombare conclusie. En toch is het alsof de afstand tussen rijk en arm nog steeds groter wordt, en het aantal van hen die aan onze westerse deuren liggen steeds groter wordt. In een stad als New York ‘wonen’ op zijn minst honderdvijftigduizend daklozen, om niet eens te spreken van al die anderen in de wereld die we bijna cynisch de derde wereld noemen. De les, die ons verschillende malen gelezen wordt in een van de laatste rondzendbrieven van Johannes Paulus II over onze sociale zorg (Sollicitudo Rei Socialis), dat alles voor allen geschapen wordt, is moeilijk te vatten en nog moeilijker te organiseren, ondanks de gekruisigde die te midden van ons verrees om ons te zeggen dat het de bedoeling is!