Verloren en gevonden

C-cyclus · Tijd door het jaar · 24e zondag · groen

Omdat we de tekst over de verkwistende zoon dit jaar al eerder aantroffen in Bijbels bezien (4e zondag van de vasten) zullen we ons beperken tot de kortere lezing. Het gaat daar over één verloren schaap en één verloren zilverstuk. Dat zijn niet de enige getallen die genoemd worden. Dat ene schaap was er een uit een kudde van honderd, en de ene munt was er een van de tien. We zijn niet gewoon om veel aandacht aan dergelijke getallen te besteden. We hebben dan ook wat moeite met Augustinus die dat wel doet. In De Stad Gods schrijft hij: ‘We moeten niet op de getallenkunde neerzien, in veel gevallen is die wetenschap een uitstekende hulp voor de attente Bijbelverklaarder.'

Bovendien is het niet waar dat getallen ons niets zeggen. Ze spelen niet alleen een grote rol in onze dromen, maar ook in ons dagelijkse, bewuste leven. Als we een bankbiljet van honderd gulden aanspreken, dan ‘breken’ wij nog steeds iets dat een magisch karakter heeft. Er is dan een zekere volledigheid verloren geraakt. Zo’n inzicht komt hier ter sprake en verklaart het eigenlijk absurde gedrag van vooral de schaapherder. Wij zijn aan dat verhaal zo gewend, dat de absurditeit ervan ons niet meer raakt. Wie laat er nu in ‘s hemelsnaam negenennegentig schapen in de steek, om er één op te gaan zoeken? En waarom die uitzinnige vreugde bij de huisvrouw als die ene munt, ter waarde van ongeveer een dubbeltje, teruggevonden wordt? ‘Ze roept haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want het zilverstuk dat ik heb verloren, heb ik gevonden!’ Er schuilt iets meer achter die cijfers in Jezus’ parabels.

In de oudste gemeenschappen was het getal tien, met zijn veelvoud duizend, een goddelijk getal. Het stond voor ‘alles’, het stond voor God. Methodius schreef: ‘Want het getal duizend, be-staand uit honderd maal tien, is een vol en volmaakt getal.’ Als je zo denkt, dan is het verlies van die éne munt en van dat éne schaap een ramp. Dat ene schaap moet gevonden worden om de kudde compleet te doen zijn. Zonder dat ene schaap doet het er niet toe of er vierentwintig, vijfenzestig of negenennegentig andere overblijven, het aantal is onvolledig, de eenheid gebroken. Dat ene verloren muntje moet gevonden worden wil je compleet zijn. Gregorius van Nyssa schrijft van die verloren munt dat ze ‘onze verloren menselijkheid’ voorstelt. Hij meent dat het verloren zilverstuk het hart en de ziel van de vrouw zelf is, en dat de lamp die ze aansteekt ‘zonder de minste twijfel ons bewustzijn is dat haar licht werpt op verborgen diepten.’ Het verloren geraakte zilverstuk kan alleen maar ‘in ons eigen huis teruggevonden worden, dat is in onszelf.’ De vrouw in kwestie, want het verhaal gaat dan over haarzelf, is zichzelf niet meer, omdat er een gedeelte van haar in het donker van haar bestaan verdwenen is. Ze steekt een lamp aan om dat verloren deel van haarzelf terug te vinden. Geen wonder dat ze zó blij is als ze die verloren schat weer vindt, dat ze de hele buurt bij elkaar roept.

Een vergezochte interpretatie? Een te dieptepsychologisch aandoende uitleg? Gregorius gaat nog veel verder als hij opmerkt. dat ‘de parabel ongetwijfeld verwijst naar het beeld van onze koning, nog niet hopeloos verloren, maar verborgen onder afval.’ Jezus is volgens hem diep verborgen aanwezig in de mens, als degene die verlost, en tegelijkertijd als degene die in ons verlost dient te worden. Als we hem niet vinden, en we kunnen dat alleen maar in onszelf, zullen we nooit onszelf zijn. Dat is niet alleen een privé gemis. We zijn dan tegelijkertijd ook het verloren schaap. En de hele kudde, de mensheid, lijdt aan dat verlies door op haar beurt onvolledig te zijn.

In iedereen is de schat die het rijk van God is. Je kunt die aanwezigheid ook Christus noemen, te vaak de verloren zuster en broeder van ons eigen innerlijk. Het is moeilijk om over dit alles in deze oeroude beelden en termen te spreken. Maar zijn ze werkelijk zo oud? Verloren misschien wel, maar oud?

Zoeken in Preken Online