Er bestaat en plezant gedicht, ik heb het ooit gelezen,
maar ik herinner me niet meer van wie het is.
Het is getiteld: “Je moet je kruis geduldig dragen.”
Het gaat over een man die zich bij de pastoor beklaagt dat zijn vrouw erg lastig is.
Ze heeft woedeaanvallen en raast en tiert zo hevig tegen hem
dat hij niet mee weet wat hij moet aanvangen.
De pastoor heeft daar geen echte oplossing voor.
Hij spreekt over zachtmoedigheid en dat er in elk huishouden wel iets is
en hij besluit met het advies: ge moet uw kruis maar geduldig dragen.
Een tijd later komt de pantoffelheld hem danken voor de goede raad.
Alle problemen zijn opgelost.
De pastoor is verbaasd en vraagt zich af waarom zijn raad zo’n succes had.
En dan blijkt dat die man het advies letterlijk heeft opgevat.
Elke keer wanneer zijn vrouw weer een uitbarsting van woede kreeg,
pakte hij haar beet, trok haar op zijn rug
en begon met haar rond te zeulen tot ze bedaard was.
Om daaraan te ontsnappen heeft ze maar vlug ingebonden.
De vraag waar het om draait vandaag in het evangelie
is de vraag van het volgen van Jezus.
Er zijn talloze mensen die met Hem meetrekken,
maar van echte volgelingen wordt meer gevraagd dan meetrekken.
Het gaat dieper dan de liefde voor ouders, echtgenoot, kinderen, broers en zussen.
Het gaat zelfs dieper dan de aangeboren wil tot zelfbehoud,
die mensen tot grote dingen in staat stelt als het gaat om hun leven.
Je moet je afvragen of je zover kunt gaan.
De voorbeelden die Jezus aanhaalt om dat te illustreren komen uit de bouw en uit het leger.
Als je een toren wil bouwen moet ge een goede kostenberekening maken
anders geraakt uw toren niet af omdat het geld op is.
En als je tegen iemand ten strijde trekt die twee keer sterker is dan jij,
dan moet ge wel een heel goede plan hebben om er zeker van te zijn geen nederlaag te lijden.
Op soortgelijke manier moet ik mij afvragen of ik in staat ben Jezus echt te volgen.
Kan ik mij losmaken van mijn bezittingen,
ben ik bereid in mijn leven alles op z’n kop te laten zetten als het Jezus-volgen dat vraagt
Hoe ver gaat mijn beschikbaarheid?
Wij als volgelingen willen veel te gemakkelijk voorbehoud maken op alles.
Radicaliteit is niet onze sterkste kant, alles moet redelijk blijven.
Wij maken berekeningen, niet om de gok te wagen,
maar om te besluiten dat we ons niet op ondoordachte wegen zullen wagen.
‘Radicalisme’ is een woord dat we hebben leren verfoeien.
Dat is te wijten aan de radicale moslims.
Er gaat nauwelijks een dag voorbij zonder berichten over gruweldaden
die ze in naam van God hebben gepleegd.
Als we willen beantwoorden aan de radicale eisen van het evangelie,
dan zeker niet in de lijn van die fanatieke moslimgelovigen die zich de enige echte noemen!
Maar willen we wel radicaal zijn?
Mijn indruk is dat veel christenen zich goed herkennen
in diegenen die zich ‘minimalistische’ gelovigen noemen.
Dat zijn christenen die “de kunst om bijna niet te geloven” verstaan.
Die zeggen dat ze katholiek zijn maar er niets voor doen
die zeggen te geloven omdat ze hun communie gedaan hebben
en hun kinderen naar een katholieke school sturen of gestuurd hebben.
Ze verstaan de kunst om zich te beperken tot het meest essentiële: gedoopt zijn.
Maar kun je dit doen zonder verraad te plegen aan het evangelie?
Kun je uit het evangelie plukken wat je het meest aanstaat,
wat niet te veel moeite kost en de rest naast je neerleggen?
Wie kiest voor een wijze van geloven à la carte,
mist de echte draagwijdte en kracht van de boodschap.
Als we God in ons leven God willen laten zijn, dan kan je er niet omheen:
dan zal je voor die verbondenheid met God
al het overige moeten laten wijken, wat het je ook mag kosten.
Is dat niet het goed begrepen christelijk radicalisme?
Ja, zullen velen zeggen, maar daar kom ik dikwijls niet aan toe.
Inderdaad, maar met de radicale eisen van het evangelie moeten we leren leven
Zolang we erkennen dat we tekortschieten maar die eisen niet uit de weg gaan,
zolang we toch inspanningen doen om ons geloof levend te houden
blijven we echt geloven.
Aan het begin van dit kerkelijke werkjaar
mag ieder van ons zich wel eens afvragen of we op de goede weg zitten.
Vraag ik mij wel eens af of ik datgene doe wat in mijn vermogen ligt,
wat bij mij past en wat op mijn maat is, niet erboven en niet eronder?
Doe ik wel genoeg mee aan de kansen die geboden worden om me te bezinnen,
om mee te praten over wat ons als christenen in onze tijd te doen staat?
Of vind ik eigenlijk dat dit soort dingen alleen maar bedoeld is
voor een geestelijke elite, en niet voor mij.
Bouw ik bewust mee aan de activiteiten die onze parochie tot parochie maken
Trek ik mee de kar of ben ik maar een toeschouwer
die ziet hoe een ander de toren bouwt waarin ik mij veilig wil voelen.
Begeef ik me mee in de strijd om het behoud van het christelijke leven in onze samenleving
of klaag ik alleen maar over de moeilijkheden die we als kerk ondervinden
of over al moslims die overal moskeeën hebben en geen respect hebben voor ons
of over de tegenwerking die wij – maar dat zijn dan de andere die hun nek uitsteken -
ondervinden in hun strijd voor het christen zijn in onze samenleving.
Als je met die vragen in het achterhoofd het evangelie van vandaag opnieuw leest,
dan zal je er geen aanstoot meer aan nemen.
Dan blijkt het eigenlijk een heel opbouwende tekst, zeker bij het begin van een kerkelijk werkjaar.
En dan hoop ik dat onze parochie er op vooruitgaat.
23e zondag door het jaar C - 2004
C-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen