23e zondag door het jaar C - 2004

C-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Harde woorden

“Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, ja, zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn…”

We zijn van Jezus stevige uitspraken gewend, maar wat het evangelie ons vandaag voorhoudt is wel erg fors. Vorige week hoorden we een open uitnodiging om deel te nemen aan de tafel van de Heer, maar vandaag klinken strenge voorwaarden. En nog harder zijn die woorden alsof je familie- en gezinsleden moet haten, ook jezelf moet haten, om bij Jezus te horen. Had Hij niet altijd geleerd dat je van mensen moet houden?

Deze woorden uit het evangelie roepen verwarring op. Om ze goed te verstaan moeten we een stukje terug in de tijd.\

Een stukje geschiedenis

Lukas schrijft zijn evangelie op rond het jaar 85, ruim vijftig jaar na de dood van Jezus, na het begin van de kerk. Er zijn nog enkele getuigen van het eerste uur over, maar eigenlijk is er al een derde generatie van christenen die de kerk vormen. Herinneringen aan de woorden en daden van Jezus raken steeds meer verweven met gebeurtenissen uit later dagen. Dat kan bijna niet anders. Exegeten proberen terug te vinden wat echt door Jezus is gezegd, en wat in de loop van jaren is ontwikkeld of door de evangelist met een speciale bedoeling is neergeschreven. Ze menen dat de open uitnodiging om mee te gaan en mee te bouwen aan het Rijk van God van Jezus zelf afkomstig is. Ieder mocht van Hem delen in de belofte van het komende Rijk.

Als Lukas zijn evangelie schrijft zijn we vijftig jaar verder. Meedoen met de beweging van Jezus kon gevaarlijk zijn. Christenen werden vervolgd en vermoord. Het lag voor de hand dat familieleden probeerden een dierbare tegen te houden als hij zich wilde laten dopen; ze wilden hem niet voorgoed verliezen. In de eerste woorden van het evangelie klinkt die historische context door: wie zijn familie niet haat, wie het oordeel van zijn familie hoger acht dan zijn geloof in Mij, die kan Mij niet volgen…
Maar er was meer aan de hand. Ondanks de vervolgingen waren op veel plaatsen kerken gesticht en er waren veel mensen christen geworden. Nu gebeurde het regelmatig dat deze mensen dachten: ik ben gedoopt, dus ik ben zeker van het heil van Godswege. Mij kan niets meer gebeuren. Dus waarom zou ik het er niet eens goed van nemen… In de brieven van Paulus lezen we vaak dat Paulus zich afzet tegen die gelovigen die zich na hun doop aan God noch gebod lijken te storen, omdat ze vast vertrouwen op de redding die hun is beloofd. Paulus, en in zijn voetspoor de evangelist Lukas houden deze mensen voor dat er nog wat meer komt kijken bij het geloof als alleen maar gedoopt worden; dat bij Christus horen ook inhoudt dat je ieder dag weer probeert te leven in de richting van het Rijk van God, dus dat je iedere dag weer het goede moet bevorderen en het kwaad in de wereld en in jezelf moet tegengaan. Voordat je je verbindt aan de kerk zou je je af kunnen vragen of je daar ook puf en moed en energie voor hebt. Dat klinkt door in de parbales die Lukas zijn lezers voorhoudt over de man die een huis bouwt en de koning die ten strijde trekt: hebben ze materiaal en manschappen genoeg om hun doel tot een goede einde te brengen?

Lukas doet geen afbreuk doen aan de open uitnodiging van Jezus aan iedereen om mee te delen in het rijk van God, maar hij leert dat volgeling worden niet de laatste stap is van je geloofsgroei, maar de eerste van je leven als gelovige…\

Dopelingen van onze dagen …

Ik moest denken aan mensen die in onze dagen gedoopt worden en lid worden van de kerk. Afgelopen maandag had ik een gesprek met ouders die binnenkort hun kind willen laten dopen. We houden zo’n gesprek ter kennismaking, en ook om met elkaar te spreken over de betekenis van de doop. Als vanzelf komt de vraag aan de orde waarom ouders hun kind willen laten dopen.\

Motieven voor de doop

Een van de ouders zei: we zijn zelf gedoopt, en we hebben het als goed ervaren om bij de kerk te horen. We komen nauwelijks meer, maar we willen het toch doorgeven aan ons kind.
Een ander zei: door de doop hoor je ook bij een bepaalde gemeenschap. Ik vind het dat van belang, ook dat je je laat leiden door die gemeenschap, door wat je hoort in de kerk. Het helpt je je geloven en je leven vorm te geven.
Weer een ander zei: de zwangerschap en bevalling zijn heel spannend geweest. Meer dan anders realiseer ik me hoe breekbaar het leven is. Je gaat je afvragen waar het leven vandaan komt, en je wordt stil en vol verwondering als je je kind ziet ademen en bewegen.

Het zijn verschillende motieven van ouders, van algemeen-religieus, tot meer specifiek christelijk. Ze zijn oprecht en herkenbaar, en meer dan voldoende om de doop te ontvangen. Wat dat betreft geloof ik zeer in de open uitnodiging van Jezus aan iedereen om op haar of zijn manier mee te doen in de kerk en zich daaraan te verbinden.\

Toetreden tot de kerk?

Kerk is de plaats waar we de vraag naar het leven stellen, waar we ons verwonderen over het leven, over liefde en over dood, waar we dromen en hopen van geborgenheid in God waar niemand ooit uit zal vallen. Wie zich verwondert over dat leven, wie huiver en dankbaarheid voelt bij de geboorte van een kind, ook al heeft zij of hij geen vast omlijnde beelden van kerk en God, die is welkom bij de doop, zoals ook diegene welkom is die het goede dat hij zelf ervaren heeft, maar nauwelijks meer benoemen kan, toch door wil geven aan zijn kind.

Maar we doen in de kerk meer dan alleen het stellen van de vraag naar het leven. We vertellen ook over Jezus. Niemand heeft ooit God gezien, maar we in Jezus heeft Hij gezicht en gestalte gekregen; Jezus wijst ons wegen waarlangs geluk en vrede voor onszelf en voor elkaar te vinden zijn. Er zijn vele antwoorden mogelijk op de vraag naar God, maar in onze gemeenschap vertellen we elkaar bij voorkeur en met voorrang het verhaal van Jezus, als richtinwijzer voor de wijze waarop wij willen leven en geloven.\

Lukas op de achtergrond

Naast mensen die zich vanuit algemeen-religieus verlangen tot de kerk komen hebben we mensen nodig die bewust voor het levensverhaal van Jezus kiezen, en die daarin hun eigen leven handen en voeten aan willen geven. Zonder vrijwilligers kan een parochie niet meer bestaan, bloedt liturgie, catechese en omzien-naar-elkaar dood, en zonder mensen die in eigen handel en wandel gestalte willen geven aan de principes van Jezus blijft het christelijk geloof ook niet bestaan. Maar mensen die daarvoor kiezen kunnen soms weerstand ervaren. Een parochiaan vertelde dat in haar omgeving mensen extra veel grapjes gingen maken over de kerk en de pastor, toen zij zich meer met de parochie engageerde. Familieleden of vrienden kunnen het je lastig maken: wil jij horen bij die kerk die zo moeilijk doet over homofilie en voorbehoedmiddelen? Geloof jij dat er een God bestaat met al die ellende in de wereld? Leerlingen van groep acht weten dat ze het op school moeilijk krijgen als ze er vooruit komen dat ze misdienaar zijn of bij het kinderkoor horen. Het lijkt alsof we op de achtergrond Lucas horen: Soms moet je de mening van dierbaren een beetje kunnen haten om bij Jezus te horen.

Ook in je eigen leven kan het telkens een opgave zijn om te doen wat goed is vanuit je eigen overtuiging, en om af te zien wat makkelijker is of meer profijt en plezier oplevert. Hoeveel gunnen we aan armen, aan vluchtelingen? Wat vinden we van de oproep van de bisschoppen om meer ruimte en menswaardigheid te scheppen voor vluchtelingen en asielzoekers? Geloof houdt ons voor dat elke mens kind van God is, dat de aarde voor iedereen is, dat ieder recht heeft op onderdak, voedsel, veiligheid, toekomst… Maar wat als die principes raken aan ons eigen leven? We horen Lukas op de achtergrond: soms moet je je eigen voordeel wat haten om volgeling van Jezus te zijn…

Je tot de kerk verhouden, gelovig leven, gaat niet vanzelf… Eigenlijk is dat ook telkens in de doopgesprekken onderwerp van gesprek. Als ouders vertellen dat ze hun kind willen laten dopen opdat het erbij hoort in de kerk, is vaak de vraag: en hoe denk je dat je kind er echt bij gaat horen? Soms leidt dat tot verwondering. Dat gaat toch vanzelf? Daar zorgt de school toch voor? Maar al gauw blijkt dat het niet vanzelf gaat: er is inzet van kerkleden en vooral van ouders nodig opdat hun kind vertrouwd raakt met de verhalen van de bijbel, met mensen en gebruiken van de plaatselijke kerk.
In het doopgesprek klinkt dat niet dreigend of eisend. Maar we verbloemen het ook niet, opdat we ons blijven realiseren dat gelovig worden en blijven niet vanzelf gaan: voortdurende bezinning, je realiseren wat goed en geboden is, gebed, je zelf soms vergeten, kerkgang: het komt er allemaal bij kijken. De belofte van het rijk Gods is er voor iedereen, wie op die belofte in is gegaan kan niet meer achteroverleunen, maar moet zich in woord en daad verhouden tot het voorbeeld van Jezus, de Levende. Dat houdt Lukas ons vandaag voor.

Zoeken in Preken Online