Als het vandaag in deze bijeenkomst - en met name in het evangelie - gaat over niet op de eerste rij willen zitten of jezelf juist op de voorgrond dringen, dan is dat iets wat in onze samenleving nauwelijks te verkopen is. Want we weten allemaal hoe anders het tegenwoordig gaat. We weten hoe onze kinderen van jongsaf erin getraind worden zich vooral niet te laten ondersneeuwen. Integendeel, hun wordt geleerd dat ze hun mannetje of vrouwtje moeten staan, willen ze er zich in dit leven doorheen slaan. Ze krijgen van alle kanten te horen dat je om te overleven in onze prestatiewereld je kansen moet benutten, en dat je dan voor een beetje elleboogwerk niet bang moet zijn. Geen wonder dus dat de rechten van het ‘ik’ tegenwoordig flinke proporties hebben aangenomen, waardoor woorden van Jezus als ‘wie zich verheft, zal vernederd worden’ raadselachtig en vreemd lijken. Is een cultuur als de onze eigenlijk nog wel in staat zulke uitspraken van onze joodse meester te verstaan? Slaan die woorden niet op een levensgevoel dat voor de gemiddelde bewoner van onze wereld van vandaag vreemd is geworden? Misschien is het ook wel wereldvreemd voor ons?
Daarom is hier misschien het volgende korte verhaal op zijn plaats dat ons aan het denken kan zetten. Een verhaaltje dat ons helpt door te dringen tot de kernwaarheid waar het vandaag over gaat.
Er was eens een jongen die een broertje had dat niet kon lopen. Iedere dag droeg hij hem op zijn rug naar school en weer naar huis. Toen ze hem eens vroegen of dat niet zwaar was, zei hij: ‘Hij is niet zwaar, hij is mijn broertje!’.
Het is zeldzaam als je in onze samenleving zoiets nog tegenkomt. Want hier wordt door dat kind niet alleen voorrang gegeven aan de zwakkere partij, maar er zit ook iets vanzelfsprekend in, iets van vreugde. Er is bij die jongen iets, wat je het feest van het samenzijn zou kunnen noemen. Blijkbaar is geluk hij hem daardoor anders. Het zwaartepunt van zijn doen en laten ligt niet hij hemzelf. Blijkbaar is er bij hem iets dat het winnen kan van waar hij persoonlijk recht op heeft. Privé-geluk neemt daarbij een ondergeschikte plaats in.
En wat vinden wij van zo’n verhaal? Wij vinden het mooi, maar wel erg naïef. Want hoe aardig en ontroerend het ook mag zijn, toch weten wij er eigenlijk niet goed raad mee als iemand zichzelf zo opoffert. Wat moeten we denken bijvoorbeeld van de dochter het niet erg vindt om al haar tijd en aandacht in de verzorging van haar demente vader te steken. Onwillekeurig denken we toch: ze moet het zelf weten, maar ze heeft het volste recht voor zichzelf te kiezen, ook al is het haar vader. Ze hoeft het zich niet zo moeilijk te maken. Ze kan toch ook net als iedereen een beroep doen op de vele voorzieningen die er zijn. Net zo goed als die jongen een invalidenwagentje zou kunnen krijgen. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? En zo kunnen we ons eigenlijk niet voorstellen wat het motief van die vrouw of die jongen eigenlijk is. Dat zij een voldoening en vreugde kennen van een heel ander kaliber dan in onze samenleving normaal wordt gevonden. Dat er een andere waarheid is dan: Je hebt maar één leven, zorg dus op de eerste plaats dat je zelf niets te kort komt.
De vraag is nu: Wat zegt het evangelie daar over? Als Jezus van Nazaret, zoals daar staat, op een sabbat bij een voorname Farizeeër aan tafel wordt genodigd, hebben we het antwoord op die vraag eigenlijk in handen. In een notendop wordt hier antwoord gegeven wat voor vreemde vreugde het is jezelf niet te tellen. Wat Jezus zegt is eigenlijk heel mild. Hij zegt niet: het moet nu maar eens afgelopen zijn met dat voorrang geven aan jezelf. Hij lijkt er best begrip voor te hebben dat wij moeite hebben hoe wij met elkaar moeten omgaan. Maar het is alsof hij een voorstel doet. Jullie zijn hier nu op een sabbatsmaaltijd, maar stel nu eens dat je op een bruiloft genodigd was.
En met dat woordje ‘bruiloft’ zet Jezus alles ineens in een ander licht. Want ‘bruiloft’ betekent het feest van het samenzijn, mensen uit twee families, uit twee werelden die elkaar ruimte gunnen. Het is alsof hij zegt: Vat het leven nu eens niet in de eerste plaats op als een wedstrijd, waarin ieder voor zich moet gaan, maar als je trouwdag. De waarheid is allereerst dat wij mensen op aarde samen gaan. Lang voordat je aan welke wedstrijd ook begon, ben je door je ouders en je omgeving opgetild uit je nietige zwakheid als kind. Lang voordat je je naam kon noemen, was je deel van een gemeenschap. Nú heb je misschien het idee dat je groot bent en dat je uit eigen naam handelt. Maar vergis je niet, ook nu beteken je alleen maar iets samen met je vrienden, je werkkring of de buurt waarin je woont; ook nu ben je nergens als je niet door anderen wordt gedragen. Als je dit vergeet, vergis je je. Want je kunt jezelf wel groot en onafhankelijk wanen, maar hoelang je het ook volhoudt, het is de waarheid niet. Eens stort het in.
Onze wereld heeft maar weinig op met deze vreugde en deze waarheid. Maar laten wij die vergissing niet maken. En nu is het heus niet de bedoeling dat wij zoveel gehandicapte broertjes en zusjes op onze schouders nemen als Jezus van Nazaret dat gedaan heeft. Maar wat we wel kunnen doen is: de uitnodiging aannemen dat dit leven in wezen een feest van het samenzijn is, de bruiloft, waarop wij ons kleine plaatsje in het geheel met plezier innemen, om gedragen te worden. En te doen wat we kunnen.