Zoals ik in mijn inleiding al zei, is dit op het eerste zicht een bedreigende lezing. Maar zoals zo vaak, kan het geen kwaad deze evangelielezing eens van wat dichterbij bekijken.
Het eerste wat we moeten weten is dat dit een lezing is uit het evangelie van Lucas. En dat de thematiek van Lucas heel sterk doorspeelt in dit stukje. Het begint al met de eerste zin, die stelt dat Jezus op weg is naar Jeruzalem, langs steden en dorpen, terwijl hij onderricht gaf. In het Lucas-evangelie is dit een belangrijke thematiek. Na zijn optreden in Galilea is Jezus onderweg naar Jeruzalem, waar hij zal worden gevangen genomen en terechtgesteld. Tijdens deze tocht worden de tegenstellingen steeds scherper, en voel je dat dit verkeerd gaat aflopen. De tocht naar Jeruzalem is voor Lucas een heel belangrijk gegeven. Het betekent dat het einde van de joodse godsdienst en van Jeruzalem als centrum van de wereld staat te gebeuren. Dus is de vraag wie zal gered worden evident.
De vraag: “Zijn er maar weinigen die zullen worden gered?” is niet zo onschuldig als ze lijkt. Er was namelijk een groep van joodse schriftgeleerden die voorhield dat alleen wie heel strikt de wet naleefde kon worden gered. Alle anderen waren verloren. Jezus had het reeds met hen aan de stok gehad. En hoewel de vraagsteller niet zuiver op de graat is, en de bedoeling heeft om Jezus in de val te lokken, gaat Jezus op de vraag in. Hij speelt niet de man, maar wel de vraag. Het lijkt er op dat hij de vraagsteller volmondig gelijk geeft. En in zijn antwoord keert hij geleidelijk de hele zaak om. Want wat hij zegt is namelijk dat er weinigen “van hen” zullen horen bij de uitverkorenen. Zij zullen zich beroepen op hun Joodse afkomst, of op het feit dat ze met Jezus hebben gegeten en naar zijn onderricht geluisterd. Maar dat zal allemaal niet helpen. Lucaans gezien is het duidelijk het er bij de ondergang van Jeruzalem weinigen van hen die zullen gered worden, Joden zullen zijn.
Maar velen zullen er komen van heinde en verre, en die zullen wel toegelaten worden aan de tafel van de Heer. En zij zullen met velen zijn. Dit is helemaal in tegenstelling met het begin van het antwoord, waar het over weinigen gaat. Jezus draait het antwoord op de vraag helemaal om.
Waar het om gaat is niet dat je Jood bent, of het feit dat je Jezus kende, naar hem geluisterd hebt, dat bepaalt of je gered wordt, maar wel wat je doet! Je acties zullen bepalen of je kunt deelnemen aan de maaltijd van de Heer, niet je afkomst of je relaties. Het zijn degenen die gegrepen zijn door het gratuite aanbod van God en mee aanschuiven aan tafel. Daarin zit een bevrijdende feestelijke gedachte. Het is een aansporing om er voor te gaan. Iedereen heeft een gelijke kans, God sluit niemand uit.
Vanuit Lukaans perspectief is het typisch dat Jezus niet alleen Abraham, Isaak en Jacob vermeldt ( de aartsvaders), maar ook de profeten. Het verwerpen van de profeten (een constante in de bijbel, en blijkbaar een steeds terugkerende fout van de georganiseerde religieuze leiders) is bij Lucas een heel erge zonde, die zwaar wordt aangerekend.
Ik vind het mooi dat Jezus, zoals Jesaja, de gemeenschap van Jahweh beschrijft als een maaltijd. Het is geen receptie waar je vrijblijvend wat kletst, en je gezicht even laat zien. Voor een maaltijd moet je gaan zitten, je moet je tijd nemen om echt met de mensen om te gaan. Je wordt uitgenodigd, en de maaltijd wordt met liefde en zorg klaargemaakt. Het klaarmaken van een maaltijd verwijst naar iets wat heel diep menselijk is: namelijk, je doet het om andere mensen iets moois te bezorgen, niet om complimentjes te krijgen, niet om te bewijzen hoe goed je kan koken, maar gewoon omdat het leuk is als mensen genieten van wat jij gedaan hebt. Daarom vind ik het beeld van een maaltijd heel mooi om het Rijk van de Heer voor te stellen. De essentie van een maaltijd is juist het gratuite geven en ontvangen.
Er is ook iets merkwaardig in het laatste zinnetje: Er staat niet: “de laatsten zullen de eersten zijn….”. Neen, er staat “er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.” Ik heb altijd gedacht dat de spreuk absoluut was. Daarom ben ik ook eens in Mattheus gaan kijken. Maar daar staat precies het zelfde! “Er zijn…” Het is geen absolute regel. Het komt neer op hetzelfde: niet wie je bent, zal bepalend zijn, maar wat je doet.”
Als je dit evangelie zo leest, wordt het een heel bevrijdende en begeesterende boodschap. God sluit niemand uit. Als je handelt naar de oproep van Jezus, dan kom je in de heerlijkheid van God. Dus, niet het strak volgen van regeltjes, niet het behoren tot een enge groep, niet het dogmatische, maar doen wat je moet doen, ingaan op Gods oproep om nu het rijk van God op aarde waar te maken. Jezus roept op om samen met alle mensen, wie en hoe ze ook zijn, de eindtijd waar te maken. Het is een oproep om grenzen op te heffen, om mensen vrij te maken. Het brengt mensen naar het licht, ongeacht hun afstamming, hun verleden of de groep waartoe ze behoren. Ik vind dat dit een bevrijdende, feestelijke gedachte is.