Wat door engelen en in dromen van Godswege gezonden, wonder over het Kind Jezus geprofeteerd was, wat in de vinding in de tempel en bij het doopsel van Jezus in de Jordaan door Lucas in zijn verhaal was opengetrokken, wordt nu ook door Johannes bekendgemaakt. Ook hij begint zijn evangelie met dadelijk te zeggen wie Jezus is: ‘Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen en openbaarde zijn heerlijkheid’. Vlak voor het verhaal van de bruiloft van Kana had hij geschreven: ‘Gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon’. We horen Lucas nog vertellen: ‘Terwijl Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging en de heilige Geest over Hem neerdaalde’.
De evangelisten kunnen niet buiten de wonderen. Ze moeten blijkbaar over open hemelen en engelen en dromen en profetieën schrijven als ze willen zeggen wie Jezus is, welke man ze gezien hebben, over welke mens ze de eerste christenen hoorden spreken en getuigen, wei het is die ze zelf in hun gebed aanbidden, wie ze zelf verbaasd en verbijsterd volgen, wie het is die hun leven grondig veranderd heeft.
Onderling verschillen ze van elkaar, anders zijn de leerlingen die ze gehoord hebben, de eerste christenen zijn Joods en Grieks, ver uiteen liggen de synagogen waar ze preken, arm en rijk zijn de huizen waar ze welkom zijn, maar als ze over Hem spreken, als ze over Jezus van Nazaret schrijven, als ze vastleggen wat ze vernomen hebben, als ze in eigen stijl en kleur, met eigen accenten en nadrukken elk hun synthese maken van het leven van de nu verrezen Christus, groeit de eenheid van hun vier verhalen en schittert in de gezichten van de vier het gelaat van de Ene, die alles nieuw maakte en die door hun verhalen en de heilige Geest verder alles vernieuwt waar Hij komt, door de prediking die zijn genade inspireert.
Het gelaat van de Ene schittert in de vier en wordt vandaag geopenbaard in Johannes. Het is het gelaat van God zelf. ‘Wie Mij ziet, ziet de Vader’, zal Jezus later zeggen aan Filippus. ‘Wanneer zal ik uw aanschijn zien’, smeekt de psalmist. Wanneer Jezus optreedt, honderden jaren later, wanneer de Messiasverwachting vervuld wordt, wordt ook de vraag van de psalmist beantwoord en wordt zijn gebed verhoord. ‘Hij openbaarde zijn heerlijkheid’.
Het is de heerlijkheid Gods die zich in de woestijn aan Israël openbaarde, in lichtende wolk en vuurkolom, die tussen de cherubs van de ark troonde, in de tempel waar de mensen kwamen bidden. Gods heerlijkheid is zijn voelbare aanwezigheid, zijn bescherming voor de toekomst, zijn genade voor nu, zijn memoriaal dat herinnert aan zijn tussenkomsten in het verleden, Israëls heerlijke zekerheid dat Hij er is.
Wanneer Jezus zijn heerlijkheid openbaart, is God onder zijn volk aanwezig in Hem. Het is ‘zulk een heerlijkheid als de Enig-geborene van de Vader ontvangt’, schrijft Johannes is zijn voorwoord. Wanneer ‘zijn leerlingen in Hem geloofden’, geloofden ze in God. Wanneer Jezus ’te Kana in Galilea een begin met de tekenen maakte’, begon God met Hem een nieuwe periode, die herinnerde aan de tekenen die Mozes en Aäron verricht hadden, toen Israël uit Egypte bevrijd werd. ‘Zijn leerlingen geloofden in Hem’ zoals ‘het volk’ dat in slavernij leefde, ‘geloofde’. Jezus’ ‘uur’ was nog niet gekomen, maar door Kana werd het aangekondigd: de ’tekenen’ waren begonnen. De bevrijding was nabij. De overvloed aan ‘goede wijn’ was het eerste teken.
De wonderen en tekenen zijn er nog steeds. De eenvoudigen zien ze, zij die de risico’s lopen van mislukte bruiloften, waar het aan wijn kan ontbreken. Wanneer hun gebed een bescheiden opmerking wordt: ‘Ze hebben geen wijn meer’, horen ze en weten ze dat het uur komt. Voor hen, dit jaar van tekenen en wonderen.