Dag iedereen,
in bijlage een aantal gedachten en eventuele aanzetten voor een homilie tijdens volgend weekend, 19 / 20 januari 2013, waarbij het evangelieverhaal van het ‘wonder van Kana’ gelezen wordt.
Straks (morgen wellicht - ik moet er nog wat aan werken) stuur ik jullie mijn ‘gewone’ homiletische suggesties door bij dit wondere evangelieverhaal - nu echter eerst en vooral de ‘preekstof’ die gerijpt is vanuit de kennismaking en confrontatie met de basisgemeenschappen in El Salvador, tijdens onze reis daar naartoe begin januari 2010.
Tijdens de paasvakantie die komt (begin april 2013), gaan we met een groep van o. a. diakens uit ons bisdom nòg een keer naar de mensen van El Salvador toe, in de hoop daar een beetje onze ‘stiel’ te leren…
In elk geval: dat belooft - voor ieder van ons, maar zeker ook voor het diaconaat en de ‘diaconie’ in ons bisdom…
In de hoop dat iemand ook hier ter plaatse in Vlaanderen met deze notities iets kan doen!
Met collegiale groet,
geert dedecker
Dienst diaconie bisdom Brugge
en KMS West-Vlaanderen
DRIE FRAGMENTEN UIT HET DAGBOEK VAN PIET DECLERCQ IN EL SALVADOR.
(gepubliceerd in Centraal Amerika Info. Wie dit driemaandelijks tijdschrift wil ontvangen: geef een seintje aan – dan valt het getrouw trimestrieel en gratis in jouw brievenbus…)
Uit het dagboek van Piet Declercq – 7 september 1998
In de kerk gisteren was er ook een paartje Salvadorenen dat mij kwam opzoeken. Het zijn er van de Mariale beweging. De vrouw heeft visioenen gehad. Op 26 augustus zijn die geëindigd. Ze moet de boodschap bekend maken: ‘Zeven landen zijn uitgenodigd om een kruis te planten; dit zullen de beschermplaatsen zijn als de Antichrist komt.’
Dat zijn allemaal dingen die Jezus vergeten was te zeggen, zeker, en die Hij nu langs deze weg laat kennen? Alles te samen heeft Jezus meer vergeten te zeggen dan wat hij vertelde aan het meer van Galilea. Te veel in de zon gezeten, zeker? Er is ook een mirakel gebeurd. Onze-Lieve-Vrouw is verschenen op een rozenblad. De man van de visioenster en trouwe medewerker heeft het rozenblaadje in plastiek bewaard en gefotografeerd. Ik heb de foto gekregen.
Ja, wat moet ik daar mee doen? Als er ooit geen honger en miserie meer bestaan, geen solidariteit meer nodig is, hechte gemeenschap geleefd wordt, het neoliberalisme afgebrokkeld is tot samen delen, het individualisme ontroest tot broederlijkheid, het kwaad weggewaaid uit huizen, gemeenschappen en landen, wel dan zal ik bereid zijn de plooien te tellen in het kleed van Onze-Lieve-Vrouw. Maar tot zolang gehoorzaam ik haar liever als ze zegt: ‘Doet alles wat Hij u zeggen zal…’ (Joh. 2, 5)
Uit het dagboek van Piet Declercq – 19 januari 2010
En daarmee is de bezoektijd van de “drie koningen uit het Westen” verstreken. Vandaag voer ik ze naar het vliegveld.
Het is een beetje zoals Geert het hier uitdrukte, zondag in de viering: ‘We kregen hier bij jullie uitstekende wijn te drinken. Welnu, we nemen een paar flessen van die wijn mee naar Vlaanderen, en zullen ze daar gaarne uitdelen aan allen die er willen van proeven. Want bij ons is het samenleven – òòk in de Kerk – ongelofelijk aan het verwateren. Maar dankzij de wondere tekenen die wij hier bij jullie mochten proeven, en de zoete wijn van samenhorigheid en gemeenschap die jullie ons hebben gepresenteerd, hebben wij de smaak van het feest weer te pakken gekregen. Dankjewel, tafelmeesters en bedienaren uit El Salvador!’
Uit het dagboek van Piet Declercq – 30 januari 2010
Onder leiding van Tencha en Julio hadden we de eerste algemene vergadering van ons Noodfonds in 2010. Als bezinning las ik Joh. 2, 1-11 – het wonderteken van de bruiloft van Kana.
Ik zei dat ons Fonds ook zo’n wonderteken was. Zoals Maria kon ik indertijd ‘aan de kar duwen’; onze animatoren vullen nog eens de kruiken en de directieve van ons Fonds is zoals de huismeester die alles in goede banen leidt.
We konden het jaar met nieuwe moed starten. Ook de arts van Usulután was aanwezig. Het was bemoedigend en deugddoend wat hij in te brengen had. Ondanks de moeilijke omstandigheden is er hoop…
HET VERHAAL VAN DE CHINESE BRUILOFT.
Misschien ken je dit verhaal reeds lang – ik in elk geval ‘kende’ het in elk geval reeds geruime tijd. Het kan trouwens uitstekend dienst doen om het door kinderen te laten spelen in een viering (heb ik vaak gedaan) of kindernevendienst… Maar nu hoorde ik het ineens helemaal ‘op-nieuw’ daar in El Salvador, als begin van de preek die Piet Declercq in zijn parochiekerk van La Noria voor de mensen van zijn plaatselijke basisgemeenschappen hield over de zondagslezing Johannes 2, 1-12 – de bruilfot van Kana…
Nooit eerder had ik de ‘profetische’ scherpte en sterkte van deze parabel zo duidelijk gehoord. Heel simpel: om duidelijk te maken aan het ‘kerkvolk’ wat gemeenschap opbouwt en wat gemeenschap ten dode toe vernietigt (wat dood-zonde is, dus!)…
Ergens werd een bruiloft gevierd. Ze hadden het niet breed; maar ze zorgden dat er toch veel volk aanwezig zou zijn: gedeelde vreugd brengt dubbele vreugd, dachten ze.
Het moest een feest voor iedereen zijn, meenden ze.
Waarom dan beletten dat onze vreugde aanstekelijk zou zijn? Er zijn al zo weinig goede epidemieën onder de mensen.
Dus vroegen ze aan elke genodigde een fles wijn mee te brengen. Bij de ingang zou een groot vat staan en daarin kon de fles leeggegoten worden. Zo zou ieder van ieders gave drinken en vreugde hebben.
Toen het feest begon liepen de bedienden naar het grote vat en schepten met grote kruiken. Maar groot was hun verwondering toen ze merkten dat het water was. Ze stonden als versteend toen het bij hen doordrong dat ieder gemeend had: die ene fles die ik erbij doe zal niemand merken en proeven!
Ze wisten nu dat iedereen gedacht had: laat mij nu maar eens profiteren van wat de anderen meebrengen.
Het werd een waterachtig gedoe, niet alleen omdat er slechts water te drinken was…
En toen bij het rijzen van de maan de fluitspelers zwegen, ging ieder naar huis, wetend dat het feest nooit begonnen was.
(het oude verhaal wordt hier weergegeven in een versie van Ward Bruyninckx – Piet vertelde het in zijn preek met de nodige ‘verve’, overdrijving en acteertalent, zodat ook wie nauwelijks geletterd was het maar al te goed kon verstaan…)
ENKELE BEDENKINGEN NEERGESCHREVEN TUSSENDOOR OVER DE MIDDAG, TIJDENS ONS VERBLIJF IN EL SALVADOR.
Genoteerd op vrijdag 15 januari 2010, in ‘Nueva Esperanza’ (!!!), bij een bord rijst met bruine bonen, te midden van een enthousiaste groep jongeren waarmee Marijke en ikzelf wat hielpen om het grote (herdenkings)feest van de volgende dag (gedachtenis van de moord op Sylvia en Octavio en de vredesakkoorden, en ook ter bedanking van Piet, Roger, Elena, Miguel Cavada enz…) voor te bereiden.
Eigenlijk zouden wij alles wat wij geleerd hebben en meenemen naar huis vanuit ons veertiendaagse verblijf hier in El Salvador kunnen vasthangen aan de beide lezingen uit het evangelie, tijdens de zondagsvieringen die we hier hebben meegemaakt:
de eerste zondag ging het over Het Doopsel van Jezus in de Jordaan (afdalen – je laten onderdompelen in het volle leven – en er telkens weer uit ópstaan…)
de tweede zondag ging het over de Bruiloft van Kana.
We zijn hier – al of niet toevallig - toegekomen op 6 januari (via een de omweg van een nacht extra op het vliegveld van Miami) als de drie koningen die op bezoek gingen naar ‘El Salvador’… En precies zoals de drie koningen uit het verhaal van Matteüs: je ontvangt bij zo’n bezoek veel meer dan je zelf te geven hebt – je keert er zoveel rijker van terug. En vooral: je kan nooit meer langs dezelfde weg terug naar huis gaan…
WAT BIJBELSE COMMENTAAR BIJ DE SCHRIFTLEZING UIT JOHANNES 2, 1-12.
Het verhaal van de ‘Bruiloft van Kana’ was het door de liturgische kalender voorgeschreven evangelie, op de laatste zondag van ons verblijf in El Salvador, zondag 17 januari 2010.
Het gebeurde ‘op de derde dag’, zegt Johannes. Op de eerste dag heeft de Doper gevraagd wie Jezus is. Op de tweede dag wees hij naar Jezus als de Christus. En nu, op de derde dag, komen de leerlingen in beeld, en spitsen wij onze oren, want nu zou het ook wel eens over ons kunnen gaan. En vooral: die ‘derde dag’ doet uitzien naar voltooiing, naar Pasen.
Op de ‘derde dag’ – dit wordt dus bijbels gezien onmiskenbaar een verrijzenisverhaal. Een volk, Gods Volk, staat op en komt tot leven. En dààrom moet er feest zijn: om de overwinning te vieren van het leven op de dood, om de ‘opstanding’ van een gemeenschap àls gemeenschap te vieren…
Er is een bruiloft in ‘Kana’, zegt Johannes. Jan Engelen vertaalt ‘Kana’ als ‘Huize IJver’ (in Kerugma jg. 56, nr. 1 – 2012/2013). Ik weet niet hoeveel etymologische waarde gehecht moet worden aan deze verklaring van de naam ‘Kana’ als ‘ijver, toeleg’… Maar ik vind het wel mooi en inspirerend. Omdat die ‘IJver’ mij meteen doet denken aan de ‘IJveraars van de Heilig-Hartebond’ van lang geleden – daar waren in mijn dorp van vroeger zowat alle volwassen mannen per definitie lid van. Mooi toch? De ‘Kerk’ als ‘ijveraars’ van en voor een gemeenschap met de welluidende naam ‘Heilig-Hartebond’…
Al die ‘toeleg’ en ‘ijver’ zullen blijken wanneer zoiets gewoons als water in iets bijzonder als feestelijke wijn blijkt veranderd te zijn: messiaanse wijn. Volgens joodse leraren is die wijn door God zelf al van vóór de schepping ergens in het verborgene te rijpen gelegd, en ligt die daar nu reeds eeuwen lang te wachten tot één van de mensenkinderen hem ontdekt, en er een flesje van open trekt, om eens te proeven…
Het gebeuren wordt ook gesitueerd in ‘Galilea’. Dat is in het evangelie de plek van het alledaagse ‘gewone’, doordeweekse leven (‘Mannen van Galilea, wat staan jullie naar de hemel te staren? – zegt de engel tegen de leerlingen in Hand. 1,11. En: ‘Hij gaat jullie voor naar Galilea, dààr zullen jullie Hem zien…’ (Mk. 16,7).
Op een bruiloft hoort uiteraard een bruidspaar. Maar wie is de bruid? En wie de bruidegom? Is er eigenlijk wel een bruidspaar? In het hele verhaal valt maar één naam: Jezus. Hij is er aanwezig samen met vijf leerlingen. Zoals een joodse bruidegom naar zijn feest gaat met vijf bruidsjonkers. Wanneer dit verhaal begint, zijn er volgens Johannes in het voorafgaande inderdaad welgeteld vijf leerlingen toegetreden tot de kring rondom Jezus. Als ‘vijf’ het getal is van de Tora, wordt Jezus hier dan niet voorgesteld als bruidegom van de Tora, en is het daarmee niet meteen duidelijk om wie en wat het bij dit bruiloftsfeest in feite gaat?
De moeder van Jezus en de leerlingen worden wel als aanwezig gemarkeerd, maar niet bij name genoemd. Net zo min als de ceremoniemeester en de dienaren. Zij zijn met zijn allen ‘Elcerlyck’, ‘Jan en alleman’, jij en ik dus. Anders gezegd: vul daarbij jouw eigen naam maar in wanneer je dit verhaal leest of hoort.
Meteen is er een groot probleem: wat een feest moest worden voor de mensen – zeker voor de armen – is aan het verwateren, lukt niet (meer)… ‘Ze hebben geen wijn meer…’ (Joh. 2,3) Het is de moeder van Jezus die het vaststelt. En waaraan ligt dat? En wat is daar aan te doen? Niemand voelt zich schuldig, niemand blijkt raad te weten… (Zie het verhaal van de ‘Chinese bruiloft’…)
Vraag van dit verhaal – vraag van Johannes die dit heeft opgeschreven en vraag van en voor zijn (kerk/basis)gemeenschap: hoe maak je die Kerk, die godsdienst, die samenleving van ons… weer tot een feest voor de mensen (en we weten: het is maar een feest voor iedereen, als het in de eerste plaats een feest is voor de armen, voor het gewone volk. Want de rijken en machtigen zorgen wel voor hun eigen ‘exclusieve’ feestjes. Daar hebben zij Jezus en het evangelie niet voor nodig…) Hoe laat je de mensen voelen dat God met Zijn volk ‘getrouwd’ wil zijn en het dus doodgraag ziet, er een Eeuwigdurend Verbond mee wil aangaan?
Er staan daar zes kruiken ‘volgens het Joodse reinigingsgebruik’ (Joh. 2, 6). Die symboliseren de OUDE godsdienst, de OUDE ‘Kerk’…. Die is flets en flauw geworden – verwaterd – de mensen vinden er geen smaak meer in. En ze heeft aleen nog met het ‘uiterlijk’ te maken, de ‘façade’ – om die een beetje ‘proper’ te houden…
Jezus ziet er wel nog doen aan! Hij ziet altijd weer mogelijkheden en kansen waar er schijnbaar geen meer waren… In ons ‘point mort’ grijpt Hij in en zegt altijd: ‘En toch…’ ‘Vul de vaten met water’, zegt Hij dus… (Joh. 2,7)
Jezus van Nazareth, die ons dag na dag zijn leven geeft, zal op het eind de zevende kruik blijken te zijn, die in ons Kana van Galilea telkens weer met Zijn bezielende Geest, Zijn ‘spirit’, Zijn ‘Spiritus’ er in slaagt om ‘als bij wonder’ het samenzijn van de mensen tot de volheid en volledigheid van ‘zeven’ te promoveren.
Maar Hij betrekt er direct ANDEREN bij – Kerk is per definitie gemeenschap – en buiten de gemeenschap is er geen heil. Het wordt een ‘samenwerkende vennootschap’ van wijnproducenten, wijnproevers en wijnbedelers…
Centrale figuren die mee dit paas-wonder mogelijk zullen maken, zijn:
Moeder Maria met haar woord: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is…’ (Joh. 2, 5) In haar openbaart zich waarachtig een nieuwe manier van ‘moeder-zijn’. Wat is een bruiloft zonder wijn? Wat is een wereld zonder de Hoop die de Messias vertolkt en belichaamt? De moeder van Jezus is degene die het gebrek daaraan als eerste opmerkt en Jezus attendeert op het gemis waaraan zovele mensen, heel deze maatschappij… zo erg lijden. De angst dat zij er niet bij zullen horen. De angst dat het feest voorbij zal zijn vóóraleer het begonnen is. De angst dat heel wat genodigden onverrichterzake, hope-loos verloren naar huis zullen moeten gaan.
Wellicht wordt hier ook een nieuwe manier uitgetekend om op vandaag waarachtig ‘Moeder de Heilige Kerk’ te zijn: niet te veel zeggen en dicteren; geen verwijten maken of moraliseren – enkel dit éne adviseren waar het op aan komt: Zijn wil doen (de ‘ortho-praxis’ van ons geloof…) Zij herhaalt wat zij ook reeds bij de boodschap aan de engel had geantwoord. Het ‘Let it be’ uit het liedje van de Beatles – ‘Mij geschiede naar Uw Woord…’
De dienaren ( de mensen van de ‘diaconie’ – ze worden hier immers zondermeer ‘diakens’ genoemd), die zonder nadenken op deze vraag/dit gebod ingaan – maar dan mateloos, zonder berekening of bedenking: ‘Ze vullen de kruiken tot de rand…’ (Joh. 2, 7), ze scheppen er wat uit, en brengen het naar de ceremoniemeester. Prachtige samenvatting van waar het in de Kerk steeds weer op aankomt in de praktijk.
De ceremoniemeester als ‘proefstation’, als ‘medium’, instrument en bemiddelaar van het heil. Ook dat is een prachtig beeld van wat Kerk kan en moet zijn: ‘Gaudium et Spes’… (cfr. Archimedes: geef mij een steunpunt voor mijn hefboom, en ik hef de hele wereld uit zijn voegen…)
Eerst moet je die ‘fijnproever’ zo ver krijgen dat hij wil proeven van die nieuwe wijn én dat hij er smààk in vindt, in dat nieuw soort van samenleven, gemeenschap vormen en ‘Kerk-maken’…
Dan moet de volgende stap gezet worden: de ceremoniemeester moet als een echte ‘voorganger’ in deze liturgie gaan uitdelen van wat hij zelf ontvangen heeft. Daarvoor moet hij weer op zoek gaan naar een aantal bedienden die met de nieuwe wijn willen rondgaan, deze willen aanprijzen en ‘aan de man brengen’ – alweer mateloos.
De mensen uit de basis(groepen)/plaatselijke kerkgemeenschappen zijn de ‘diakens’ die het feest van deze wereld telkens weer moeten laten gebeuren en doorgang doen vinden. Dat is hun ‘missie’, dat is hun zending en hun roeping, in naam van en in opdracht van ‘Onze Moeder de Heilige Kerk’ en onder impuls van de kerkelijke ‘ceremoniemeesters’ die speciaal daarvoor zijn aangesteld en eventueel gewijd. Enkel via al die ‘animatoren’ en ‘diakens-dienaars’ kan het volk, kunnen de genodigden op het feest van samenhorigheid er van proeven en op hun beurt de smaak te pakken krijgen, om dan verder enz… (perpetuum mobile van het delen van leven).
Hier en in de eerdere stap van het ‘tot de rand vullen van de kruiken met water van elke dag’, situeert zich de taak van de basisgroepen, van de equipes en de coöperatieven… Met hier en daar een ceremoniemeester er tussen, één die het allemaal wat beter kan verwoorden, duiden en onderbouwen, een bevrijdingstheoloog, een profeet, een martelaar, een getuige – ja zelfs een (bekeerde!!) bisschopals Mgr. Romero…
Zij zijn samen het ‘doorgeefluik’, het ‘instrument’ van het heil, het steunpunt voor elk goddelijk wonderteken… Zij mogen deze nieuwe wijn niet voor zichzelf houden, om er enkel zelf beter van te worden, maar moeten er van uitdelen, in steeds wijdere, ‘inclusieve’ kringen…
Jezus had dit hele wonder ook zelf kunnen doen, helemaal op zijn ééntje (vraag is of het dan wel gelukt zou zijn!) – zo zien de ‘evangelicals’, de ‘charismatici’ een wonder: Jezus redt - Halleluja!!! Maar dan was er in feite niets mèèr gebeurd dan een ‘stunt’ van een wonderdoener. Dan was er geen Kerk gemaakt, geen gemeenschap gesticht in Gods Naam…
Dit evangelieverhaal is voor ieder van ons een uitnodiging om als getuige te leven, om in ons leven zichtbaar te maken dat enkel gemeenschap vormen levengevend is, en ook dat de boodschap van het evangelie een bron kan zijn van vreugde en leven voor vele mensen die tot op vandaag het feest van hun leven voortdurend in het water zagen vallen… Wij mogen allen als dienaren en getuigen al weldoende rondgaan door de wereld, om de overvloedige wijn van het goede nieuws aan vele mensen uit te delen…
Johannes zegt op het einde van zijn verhaal: ‘Dìt is het eerste van alle tekenen…’ (Joh. 2, 11). Het principe dus, het begin(sel) van alles waar het Jezus om te doen was. Johannes spreekt altijd van een ‘teken’ – nooit van een ‘wonder’. ‘Geef ze een teken, een signaal, dat geen enkel deur volledig dicht zal zijn, dat er op het einde van de tunnel weer licht zal zijn…’ – zingt Herman van Veen ergens.
In Kana van Galilea maakt Jezus dus zo een ‘begin’ met de tekenen en openbaart Hij zijn heerlijkheid. En met een ‘begin’ wordt in de Schrift haast altijd een ‘begin-sel’ bedoeld, iets wat zo essentieel is, dat het voorop gezet moet worden. Een pro-gramma, iets wat ‘voorop geschreven wordt’. Iets om uit te voeren, gaan-de-weg.
Johannes wil zeggen: nu al geeft dit teken de essentie mee van alle tekenen die nog zullen volgen. En die essentie vertolkt hij niet nuchter-prozaïsch en zakelijk; hij maakt er als goeie verteller een kleurrijk en poëtisch verhaal van over een bruiloft op de derde dag Geen theorie, geen leerstuk – liever een verhaal. Dan kan iedereen het meteen verstaan.…
EPILOOG…
En bij dit alles zit ik ineens te bedenken dat ik ooit nog – bij het begin van mijn ‘priestercarrière’ – een jaar lang (hulp)ceremoniemeester ben geweest van de Bisschop in de kathedraal van Brugge, en dat ik in die functie zelfs nog een keer een hele namiddag lang op Hemelvaartsdag mee met de Heilig Bloedprocessie door de straten van Brugge heb gelopen aan de zijde van de latere Paus Karol Woytila, die daar toen als Aartsbisschop van Krakau te gast was…
Ik vond het wat raar en moest er wat aan wennen – maar vond het tegelijk een ‘hele eer’… Nu weet ik zoveel jaren en zoveel leven/geloofsservaringen later, dat ik er toen helemààl naast zat, en dat het als priester en diaken… in de eerste plaats een kwestie is van tussen de mensen aan de kant van de weg te gaan staan, liefst op de achterste rij nog wel, en zeker niet te gaan post vatten op de eretribune, zo dicht mogelijk bij de prelaten van de Kerk en de notabelen van de stad… Een mens leert bij – met schade en schande. God zij dank..!
Geert Dedecker