2e zondag door het jaar Cyclus C 2013 Jes 62, 1-5
Joh 2, 1-11
Hij heeft water in wijn veranderd
Beste vrienden,
Bij het verklaren van Bijbelse teksten zijn grappen eigenlijk niet gepast. Maar omdat het binnenkort weer carnaval is maak ik vandaag een uitzondering. Een oude wijnboer voelde het einde naderen en vooraleer te sterven riep hij zijn oudste zoon en erfgenaam bij zich en zegde tegen hem: “Mijn zoon, voor ik sterf moet ik je nog een groot familiegeheim toevertrouwen. Vertel het nooit verder, behalve later aan je oudste zoon: Onthoud het goed, wijn kan je ook van druiven maken!”
Blijkbaar was deze wijnboer niet alleen goed vertrouwd met het wijnwonder van Kana, maar wist hij blijkbaar ook hoe je dat doet: wijn uit water maken. Iedereen zou dat wel graag kunnen en daarom herinnert deze grap mij ook aan de soms toch zo eenvoudige menselijke wensdromen die in de komende carnavalstijd weer zo dikwijls zullen worden bezongen: „Wenn das Wasser im Rhein goldner Wein wär…“
Maar zo is ons verhaal uit de Bijbel niet bedoeld. En om eerlijk te zijn heb ik altijd weer problemen met dat wonder van Kana. Waarom? Jezus lijkt hier wel een soort magiër of goochelaar te zijn die zomaar, zonder meer, ongeveer 600 liter water in de beste wijn verandert. Dat is wel een tof gegeven. Maar moet dat heel wereldse wonder nu uitgerekend de eerste openbaring van zijn heerlijkheid zijn, waarmee het geloof van zijn leerlingen wordt gewekt? Als het nu nog de opwekking van Lazarus was geweest – OK, dat zou ik begrepen hebben; dat zou werkelijk een hit zijn geweest bij het begin van zijn openbaar leven. Maar water in wijn veranderen? Ik weet het niet.
Sommige exegeten verwijzen er in dit verband naar dat dit verhaal inspeelt op de cultus van Dionysius, wat ons dan tot de interpretatie verleidt: “wat die heidense God kan, water in wijn veranderen, dat kan onze Messias natuurlijk ook. Alleen, dat verklaart nog niet waarom Johannes, en hij alleen, ons dit wonder vertelt. Hoe past dit eenvoudige verhaal in de diepzinnige uitspraken die we van Johannes kennen zoals: „ In het begin was het Woord, en het Woord was bij God. En het Woord was God.” Of ook nog: „God is Geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in Geest en waarheid aanbidden.”
Jezus als magische wonderdoener tussen al die spitstheologische termen die we op kerstdag hoorden – dat klinkt toch vreemd in de oren – of niet?
En dan de manier waarop Jezus in deze tekst zijn moeder behandelt – in mijn ogen toch wel meer dan aanstootgevend. Enerzijds is het Maria die de handeling op gang brengt en dan distantieert Jezus zich nogal grof van haar met de woorden: “Vrouw, wat wilt ge van mij?” Elke andere moeder zou beledigd zijn als één van haar volwassen kinderen haar zo in het openbaar zou bejegenen.
Hoe dan ook, de vraag blijft onbeantwoord: waarom is dit wonder voor Johannes zo belangrijk dat hij erover schrijft en er twee hoofdstukken verder zelfs nog eens uitdrukkelijk op terugkomt.
Ook de omstandigheden blijven in het duister. Je hoort niets van de reactie van de bruiloftsgasten en je verneemt ook niets van het verdere verloop van het feest. Het is ook bevreemdend dat Jezus de tussenkomst van Maria weliswaar afwijst, maar dat deze gebeurtenis dan toch “het begin van zijn tekenen” is. Hoe staat het ook weer in de slotzin: Jezus openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem. Voor de leerlingen was datgene wat Jezus deed zo klaar en duidelijk te verstaan, dat ze er door gesterkt werden in hun geloof. Voor mij betekent dat ook dat ze niet alleen het teken dat Jezus hier heeft gezet goed hebben begrepen, maar dat ze ook al datgene wat Jezus hen vooraf al had uitgelegd, nu beter begrepen. Voor hen staat nu vast: Deze Jezus heeft een boodschap voor ons; in Hem en door Hem ervaren wij iets van Gods geheim.
En hoe staat het met ons? Kan dit wonder, na 2000 jaar, voor ons nog iets betekenen? Kunnen wij, zoals we hier zitten, ook nog iets van die openbaring, die de leerlingen in hun geloof heeft versterkt, ervaren? Gebeurt er misschien vandaag ook nog zoiets als het veranderen van water in wijn? Laten we er toch eens heel persoonlijk en concreet over nadenken: Heb ik het al eens meegemaakt dat ook in mijn leven water in wijn werd veranderd? Heb ik het ook al eens voorgehad dat ik geen wijn meer had? En dan bedoel ik niet dat er, bij het ontvangen van bezoek, geen flessen wijn meer in het rek stonden…
“Ik heb geen wijn meer” kan toch ook betekenen: Ik word om raad gevraagd en ben zelf radeloos. Ik zou willen helpen, maar ik ben zo hulpeloos. Vooral bij sterfgevallen wordt me dat bijzonder bewust. Ik wil mijn medegevoel uitdrukken, troost brengen, maar ik weet niet wat ik zeggen of schrijven zal. Ik heb dan het gevoel dat er geen woorden zijn die ook maar in de buurt komen van datgene wat ik aan de mensen zou willen zeggen. En toch, ondanks alles, heb ik dikwijls mogen ervaren dat de reactie van de mensen op mijn gestamelde woorden of op mijn bezoek niet zo was als hadden ze alleen maar water van mij gekregen.
Ik ben er zeker van dat velen onder u ook al een dergelijke ervaring hebben gehad. Ervaringen waarvan je achteraf kan zeggen: „Daar heb ik Jezus ervaren als diegene die mijn smakeloze water heeft veranderd in kostbare wijn voor anderen.“ Daarmee hebben we natuurlijk het wonder uit het Evangelie nog lang niet verklaard – niet voor toen en ook niet voor vandaag. Maar ergens tussen het uitscheppen en het proeven verandert het water voor diegene waar ik mee in gesprek ben, in goede wijn. Ik kan het wonder niet verklaren, maar ik weet dat het Jezus is, die het wonder voltrekt.
Het is duidelijk dat ik Jezus nooit kan dwingen om een dergelijk wonder in mijn leven van alle dagen te voltrekken. Maria kon dat ook niet en daarom kreeg ze dat grove antwoord van Hem. Maar wat ik ook wel kan doen is me aansluiten bij datgene wat ook Maria zegde: “Doe wat Hij u zegt.” En dan voel ik zeer goed aan dat Jezus ook vandaag tegen mij zegt: “Vul je kruiken met water! Wees niet bang om alles te nemen wat je hebt. Vul je kruiken tot aan de rand en schep dan gul uit wat je hebt en wat je aan de anderen wil geven.”
Die bevestiging maakt mij gelaten, want ik mag erop hopen en erop vertrouwen dat Jezus zich ook in mijn leven altijd weer zal openbaren als diegene die water in wijn, zwakte in kracht, moedeloosheid in hoop en sprakeloosheid in troost kan veranderen. Daarom is, na veel nadenken, het evangelie van vandaag voor mij één van de mooiste geworden. Want het toont voor mij aan dat Hemel en Aarde hier zeer dicht bij elkaar komen. de zoon van God ontmoet ons mensen en beleeft met ons iets zeer menselijks omdat Hij deelneemt aan ons dagelijkse leven. Anderzijds brengt hij, door dit wonder, onze menselijke wereld dichter bij de Hemel, de plaats waar God thuis is. Dat is zijn zending en onze bestemming: Wij zijn voor de Hemel bestemd en we dragen die Hemel in ons wanneer we doen wat Hij zegt en op zijn woord vertrouwen. In die zin hoop ik dat wij dit wonder van Kana, dit wonder van de volheid en de vreugde van het leven, ook in ons leven van elke dag mogen ervaren. Niet voor onszelf, maar vooral ook voor die mensen die God naar ons toebrengt en waarmee Hij ons een ontmoeting schenkt. Amen.