“Houd uw lendenen omgord en de lampen brandend. Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun Heer, die naar de bruiloft is, om, als hij aankomt en klopt, aanstonds open te doen.”
Zusters en broeders, ik denk dat Jezus hier een van de belangrijkste eigenschappen van de christen formuleert: dat hij waakzaam is, dat hij steeds bereid is op weg te gaan, dat hij niet leeft alsof dit leven het enige leven is.
‘Houd uw lendenen omgord en uw lampen brandend, en doe aanstonds open wanneer er wordt aangeklopt.’ Het is geen theorie, en het zijn ook geen fraaie zinnen. Het is, integendeel, het leven van elke dag. Het leven zoals Jezus het ons voorstelt: dat we klaar zouden staan om te vertrekken, niet op reis naar het zonnige zuiden of naar de eeuwigheid bij God, maar klaar om te vertrekken voor elkaar en naar elkaar.
Ik dacht bij het lezen van dit evangelie terug aan twee jaar geleden. Mijn vrouw en ik waren voor een paar dagen vakantie ergens in Duitsland. In een kleine eetgelegenheid zaten we te genieten van een kop koffie. Toen kwamen een man en een vrouw binnen. De man zat in een rolstoel. Hij leek ook niet te kunnen spreken, en zijn bezorgde, treurige, angstige ogen vluchtten voortdurend alle kanten uit. Wat de vrouw ook probeerde, echt contact leek onmogelijk. En toch! De vriendschap van haar stem en van haar ogen, de tederheid van haar gebaren en bewegingen, de aandacht alleen aan hem besteed, de pogingen om zijn onverstaanbare klanken te begrijpen. En dat alles met de glimlach en de vanzelfsprekendheid van de liefde. Een tafereel om nooit te vergeten, om als een goede herinnering te blijven koesteren. Een opsteker in deze soms harde en harteloze tijd. En een voorbeeld van iemand die inderdaad met de lendenen omgord en met een brandende lamp door het leven ging. Iemand die al opendeed nog voor er werd aangeklopt.
Zusters en broeders, laten ook wij zo door het leven gaan. Met oog en oor voor elkaar. Vaders die aandacht hebben voor het kleine en grote leed van hun kinderen, moeders bij wie vaders en kinderen terecht kunnen, werkgevers die hun werknemers met respect behandelen, politici die er niet zijn voor zichzelf maar voor de gemeenschap, priesters die echte herders zijn, en leken die hun geloof ook echt beleven. Op vakantie, thuis of onderweg, laten we er zijn voor elkaar en voor de ander. Laat niemand bij ons aankloppen en teleurgesteld weggaan, omdat wij niet opendoen. De deur van onze aandacht, van ons medeleven, van onze hulpvaardigheid, van onszelf. En dat alles vanuit ons geloof. Dat geloof dat in de tweede lezing door Paulus zo mooi omschreven wordt als “een vaste grond van wat wij hopen, dat ons overtuigt van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.”
“De werkelijkheid van onzichtbare dingen” - zoals God bijvoorbeeld, maar ook liefde en vriendschap en genegenheid en zorg en aandacht. Allemaal zo onzichtbaar, en allemaal zo werkelijk, en zo volledig deel uitmakend van het leven.
Zusters en broeders, laten we ons leven zo uitbouwen dat die onzichtbare dingen, dat God zelf, die liefde is, in ons zichtbaar worden. Amen.