Het was, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; het was in de zomer waarin ik éénentwintig werd. Ik studeerde twee jaar theologie. Een medestudente van mij had verteld dat ze graag een keer naar Ierland zou gaan en, samen met een vriendin van haar, ook plannen aan het ontwikkelen was om die wens te realiseren. Ierland sprak ook erg tot míjn verbeelding en de medestudente in kwestie vond ik trouwens ook érg aardig en de vriendin … acht ja, die neem je er dan gewoon bíj … Het was een hele reis. Eerst met de trein naar Hoek van Holland. Daar op de boot naar Engeland. In Engeland opnieuw de trein in. Dóór Engeland en Wales heen en daar opnieuw de boot op, een nachtboot over de Ierse zee. Bij zonsopgang kwam de Ierse kust in zicht, een prachtig gezicht. Vanuit Dun Laighre waar de boot aankwam naar Dublin, een beetje slaperig door Dublin gezworven, want we hadden weinig geslapen op de boot, en vervolgens opnieuw met een bus aan de kust een camping opzoeken.Toen gingen we de tent opzetten, mijn tent. En toen bleek … een essentieel onderdeel daarvan ontbrák: een verbindingsstukje tussen drie tentpalen maar liefst. Ja, mensen, dan sta je wèl even te kijken … De vriendin van mijn studiegenootje zag het meteen helemaal niet meer zitten … “Nou, we kunnen wel weer terug naar huis gaan”, zei ze wanhopig. “Wacht even!” zei ik. Ik speurde even wat rond in de omgeving van de plek waar wij de tent hadden ontrold, vond daar een dooie tak en knak-knak-knak: Daar hadden wij ons verbindingsstukje! Drie weken heeft het gehouden, ook in allerlei zware weeromstandigheden.
Neemt U mij niet kwalijk, veelgeliefden, dat ik U hier dit verhaal vertel met mijzelf in de heldenrol. Maar de herinnering eraan kwam bovendrijven in verband met de eerste lezing van vandaag. Het volk Israël is op reis. Onder leiding van Mozes is het uit Egypte, het slavenhuis, weggetrokken. Maar nu, in de woestijn, wordt men geconfronteerd met allerlei ongemakken: “Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte en ons naar dit afschuwelijke oord gebracht? Er is hier geen koren, er zijn hier geen vijgenbomen, geen wijnstokken en geen granaatappelbomen. En drinkwater is er ook niet.” “Het matras zakt door, de douche is op de gang, de kamer wordt niet goed schoongemaakt en het ontbijt stelt niet veel voor …” Er wordt geklaagd. Mijn vader, geboren in West-Friesland, noemde dat vroeger “mauwen” als wij ons zo gedroegen: “Zit niet te mauwen”. Zó máuwt ook het volk. Mozes en zijn broer Aäron, die zijn secondant is bij het leiden van de expeditie; ze worden door dat gemauw even helemaal uit het veld geslagen … En geef toe mensen: Is dat niet heel begrijpelijk? De situatie, daar in de woestijn, ís al verduiveld moeilijk en dan krijg je ook dat gemauw er nog bij waardoor het allemaal nog erger wordt. Heel on-solidair en un-fair is het … “Mozes en Aäron verwijderden zich van de gemeenschap en gingen naar de ingang van de ontmoetingstent.” Dat is de plek van de godsontmoeting. En “daar wierpen ze zich ter aarde.” En daar spréékt God. Geregeld mag ik dat zelf ook ongeveer zo meemaken mensen. En misschien gebeurt het U ook wel … Als ik hier in de kerk neerkniel en daar eenvoudig tracht te verblijven in stilte, gewoon stil ben; vaak borrelt dan vanbinnen de bron vanzelf op; allerlei gedachten gaan vloeien én wat dieper en hoger is dan de gedachten: het Mysterie waarin wij leven, bewegen, dat ervaar je en het spréékt. Of: misschien spreekt Hij wel op zulke momenten … Ik denk: wij mogen dat rustig geloven … Tik-tik-tik … Mozes slaat met zijn dode tak op de rots en het water vloeit … Voor wie gelooft is de oplossing nooit ver weg … God’s Geest wijst de weg, elk moment van ons leven, ook in de meest benarde en benauwde momenten. Als er één deur dichtslaat, veelgeliefden, dan staan er nog duizend open. Als ’t niet rechtsomgaat, dan maar linksom. De vraag is alleen: Zíe je de alternatieven? Zíe je, hoe het óók, zie je hoe het ook anders zou kunnen? Jammer, dat Mozes en Aäron zich door het gemauw van het volk tóch even hebben laten intimideren. Jammer dat ze zich er tóch even door uit het veld hebben laten slaan. Jammer dat hun geloof tóch even wankelde. Jammer mensen … want dat kan toch altijd z’n jammerlijke gevolgen hebben voor ons persoonlijk. Mozes en Aäron, leiders van het volk, zullen zelf het beloofde land niet betreden … En de rijke stinkerd in het evangelie met z’n grote schuren, ook die heeft het nakijken. “Z’n zakken zijn wel gevuld, maar nog lang niet vol.” Zijn bezit is zijn god. Hij denkt dat hij door z’n eigendommen gered zal worden, door z’n bonussen. “Neem rust, eet, drink en vermaak je”, zegt hij bij zichzelf. Hij heeft het met zichzelf sowieso erg getroffen. En hij wentelt zich in “het zwitserlevengevoel” … Nou mensen, hij komt van een kouwe kermis thuis. Zoals ook het volk van Edom dat z’n “broeder Israël” niet door ’t eigen gebied wil laten trekken - ook Edom zal van een kouwe kermis thuiskomen zoals we nog zullen zien … Edom líjkt in feite erg op die rijke dwaas in het evangelie, beheerst als ze beide worden door de gedachte: “dit is van mij”, dit land, dit geld, dit goed …
Bisschop Muskens van Breda was vroeger rector van het pauselijk Nederlands College in Rome. De eerste rector van dat college was Monseigneur Eras die daar in Rome leefde als een kerkvorst. In zijn levensverhaal “Wees niet bang” doet Bisschop Muskens daarover een boekje open: “Hij was een telg van een schatrijke Tilburgse fabrakantenfamilie en had gekozen voor tapijten, meubels, schilderijen en weelderig behangen muren die geen adellijke voornaamheid ademden, maar eerder de chic van Brabantse herenboeren. (…) Als hij zijn cauffeur nodig had, riep hij vanaf het balkon ‘Asino!’, dat ’ezel’ betekent. Dan werd zijn grote mercedes voorgereden, die hem naar het kapucijnenklooster bracht. Daar stapte de chauffeur uit en de biechtvader in (…). Deze nam de monseigneur de biecht af en stapte weer uit. De chauffeur stapte in en reed Eras naar de drankenwinkel, waar de slijter instapte om de bestelling voor de komende week op te nemen. Daarna ging het weer terug naar het college. Als Eras naar zijn familie in Tilburg moest, dan liet hij zich door zijn chauffeur op het station in Rome afzetten. Hij nam de trein naar Brussel, terwijl de chauffeur zich dwars door Italië en Frankrijk haastte, om de rector op tijd van de trein te kunnen halen, want de monseigneur wilde met zijn eigen auto naar huis.”
“Ik stond verbaasd”, schrijft bisschop Muskens, “over wat Eras op het College om zich heen had verzameld. Het bleek slechts een deel van zijn collectie te zijn. In 1952 overleed hij, vereenzaamd en licht dementerend, na 44 jaar in Rome gewerkt te hebben. Zijn opvolger mgr. Jo Damen zocht tussen zijn spullen tevergeefs naar een testament. Wel vond hij een lijst waarop alle voorwerpen van het college op de volgende wijze genoteerd waren:
Servies : ikke // Tapijt: college// Friese klok: ikke // Schilderij ‘Nachtwacht’: college//
Het duurde twee jaar voordat alle nichten en neven van mgr. Eras de lijst als testament hadden geaccepteerd. Overigens konden ze lang niet alle goederen van ikke in hun huizen kwijt.” Tot zover bisschop Muskens. Het laatste hemd heeft geen zakken mensen. En als je in je leven ik-gericht bent, dan houd je op ’t laatst hoe dan ook bitter weinig over, hoeveel spullen en centjes je ook hebt. Want “ikke” kan zichzelf niet redden. Amen.