Ik vind het erg spijtig dat wij in het hele kerkelijk jaar maar één klein stukje tekst lezen uit dat grandioos boek van Prediker. Als er een boek is in de Bijbel dat zo met beide handen gegrepen is uit de menselijke ervaring, dan is het wel dit boek, dat in de Hebreeuwse Bijbel Qohélet wordt genoemd. Een Qohelet is iemand van de vergadering, een prediker of een afgevaardigde, hij die bijeen roept.
Verder weten we niets over de schrijver. Hij was waarschijnlijk een man op rijpere leeftijd, die niet alleen terug keek op zijn voorbije leven en wat de algemeen geldende menselijke wijsheid daarover zegt, hij deed meer. Hij trok zijn eigen levenservaring open naar het geloof van Israël. En dat is: Jahweh is trouw aan zijn volk! Wat heeft een mens dan aan al dat tobben en zwoegen onder de zon?
Vandaag lezen we één van zijn meest bekende spreuken: Havel havelim akol havel ! Alles is ijdel. Letterlijk: alles is rook, dus vergankelijk en vluchtig als de wind! Op de keper beschouwt is alles lucht en wind en al ons “tobben, ploeteren en zwoegen” (Lc 2,21) is tot vergankelijkheid gedoemd. En dan passeert hij in revue alles wat een rol speelt in het leven: rijkdom, schoonheid, plezier, lekker eten, weelde, Wein, Weib und Gesang, waaruit dan nog eens blijkt dat hij zeker geen groentje meer was toen hij zijn boek schreef. Hij slaat niets over: macht, onrecht, eenzaamheid, seksualiteit, welstand, kennis en wetenschap, sparen en oppotten,…
Hij zet het in zijn boek allemaal op een rij en steeds komt hetzelfde refrein terug: Havel havelim akol havel! Alles is ijdel, vluchtig, alles vergankelijk. Men zou er na twee hoofdstukken de moed bij verliezen. Het lijkt wel één zwartkijkerij. Mensen die zo realistisch naar het leven kijken, lopen de kans te verzuren en voor andere mensen een kwelling te worden. En dat kan toch de bedoeling van de Bijbel niet zijn.
Desalniettemin herkennen wij daar een groot stuk van onze eigen levenservaring en van onze westerse samenleving in. De grote meesterverhalen van weleer doen het niet meer: godsdiensten en kerken lijken op de dool, ons rechtssysteem functioneert niet meer zoals we het wensen, we zoeken naar nieuwe politieke cultuur, naar een voetbalmatch gaan is een levensgevaarlijke onderneming, de sociale zekerheid is al lang geen zekerheid meer, de rockfestivals verdoven de mensen voor enkele uren of dagen,… maar nadien komt de kater en is het ontwaken bitter. Dan valt men terug in zinloosheid, gevoel van onbehaaglijkheid ondanks de verzadiging. Mensen worden moedeloos, vervreemden, voelen zich nutteloos en onbegrepen.
Sommigen vluchten in kalmeermiddelen, drugs, alcohol, pijnstillers, sekten, astrologie en alles wat verstrooit. “Er gebeurt niets nieuws onder de zon” (Pred 1,9), zuchtte onze Prediker al enkele verzen en eeuwen geleden.
Oef ! Ga ik nu eindigen in een donderpreek?
Natuurlijk niet! Wie ben ik om dat te doen? Want dààr schuilt natuurlijk altijd dat kleine addertje in het gras, als men uit de Bijbel zo maar wat kleine stukjes plukt.
Ook bij Prediker is er méér te lezen dan het kleine stukje gejank van vandaag. Reeds op het einde van het tweede hoofdstuk slaat zijn toon heel merkelijk om: “Niets is er beter voor de mens dan eten en drinken, en zelf genieten van zijn werk. Want ik heb begrepen dat dit uit Gods hand komt!” (Qo 2,24)
En hier zijn wij aangeland waar we moesten komen en waar Jezus ons voor waarschuwt: “Geen enkel bezit kan uw leven veilig stellen”. (Lc 12,15) “Zoek eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid. Al de rest zal er u bovenop gegeven worden”. (Mt 6,33) Wat wij gebruiken als smaakmaker kan nooit de hoofdschotel zijn; noch de wijn als de gewone dagelijkse dorstlesser. Wij mogen dus zeker niet het belangrijke met het bijkomstige of het overtollige verwarren.
Jezus sluit zich bij deze waarheid en menselijke wijsheid aan. Geen enkel bezit, al is dat gezondheid, kracht, rijkdom, macht,… kan ons leven veilig stellen. We mogen er van genieten - met volle teugen als het kan - maar het moet tegelijkertijd dienen voor het welzijn van onszelf en van onze medemensen.
Wij zijn zo gewoon geweest de waarde van de eigendom te verdedigen, dat wij alleen nog maar in de eerste persoon enkelvoud kunnen denken. Het komt veel te weinig voor dat iemand naar-de-anderen-toe bezit, dat hij of zij op zo’n wijze verantwoordelijkheid opneemt voor zijn bezit, dat het ook waarde krijgt voor andere mensen. Onze bekommernis gaat meestal niet veel verder dan wat-heb-ik-er-aan. Of iemand anders er ook wat aan heeft, is een vraag die eigenlijk veel te weinig tot ons doordringt.
In de parabel die Jezus ons hier voorschotelt, klaagt Hij de spaarzaamheid niet aan. Hij stelt de hebzucht aan de kaak. Mensen zijn altijd bekoord geweest te denken dat ze met geld alles kunnen bereiken. Daarom willen ze steeds meer vergaren, verwerven, opstapelen, bezitten. Ze zitten erop, soms letterlijk ! - met heel hun brede kont. Nooit genoeg, altijd maar meer hebben. En we wéten dat we het niet kunnen meenemen. Achter de lijkwagen rijdt geen auto van Security met de centen…
Let eens op hetgeen die rijke man, met zijn enorme oogst, zegt in de parabel van vandaag. Eigenaardig genoeg voelt hij zelfs zijn rijkdom aan, als een tekort: “Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst op te bergen” (Lc 12,17) Heel ironisch en bijna lachwekkend schets die rijke zichzelf als iemand “die niet heeft”, als een arme. Hij is wel rijk, maar hij voelt zich arm.
De broosheid van het bestaan leert ons dat hetgeen wij zelf – eventueel met heel veel noeste arbeid – hebben opgebouwd, toch vroeg of laat zullen moeten opgeven. “Een doodshemd heeft geen zakken”, zegt de Vlaamse wijsheid. Maar die wijsheid kennen vele mensen blijkbaar niet. Jezus zegt: “Al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan ?” (Lc 12,20)
We zijn inderdaad maar dwaze mensen wanneer wij uitsluitend ons bestaan bouwen op bezit. Vandaag in deze tijd leven we in een versneld tempo. Het leven is enorm jachtig, hevig, vluchtig. En ondanks de verhoogde levensverwachtingen branden we vlug op. Het stemt tot nadenken. Bij mij althans.
Heel onze omgeving schijnt ons dan toe te roepen: profiteer er van, geniet van het leven met volle teugen, want morgen zijn we dood. “Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?” (Lc 12,20)
Bij anderen, bij diegenen die putten in de Wijsheid van het Woord Gods, groeit er iets diepers, er komt aandacht voor het “en toch !” En toch is er meer. En toch is er iets diepers. En toch moet er een achterkant of een binnenkant zijn aan de dingen, aan hetgeen we meemaken. “En toch” !… Het is de noodkreet van de eerlijke en wijze mens in onze tijd. Dit “en toch!” is voor hem of voor haar misschien een andere en eigentijdse benaming voor God ? voor de Totaal Andere ?
Prediker heeft in zijn boek alle moderne vragen gesteld. Rijkdom, zwoegen, roem en aanzien, seksualiteit, wetenschap, kennis, macht,... het zijn allemaal gaven van het leven. We mogen er gerust gebruik van maken. We mogen er zelfs van genieten. Want God heeft ze ons gegeven en gegund.
Maar ze waarborgen ons niet het geluk. Jezus, maar ook Prediker reeds en nadien Paulus, zullen nog verder dan deze wijsheid gaan. Het echte bezit dat ons gelukkig maakt is de vriendschap en liefde van God voor ons. Het zal voor de christenen tot een nieuwe bestaanswijze worden verheven. Een nieuwe wijze om met de mensen, met de dingen en met de gebeurtenissen om te gaan. “Gij hebt de oude mensn met zijn gedragingen afgelegd en u bebleed met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht”, zegt Paulus “daar is alleen Christus alles in allen."(Kol 3,10-11)