18e zondag door het jaar (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

Ik vind het erg spij­tig dat wij in het hele kerke­lijk jaar maar één klein stuk­je tekst lezen uit dat grandioos boek van Predi­ker. Als er een boek is in de Bijbel dat zo met beide handen gegre­pen is uit de mense­lijke erva­ring, dan is het wel dit boek, dat in de He­breeuw­se Bijbel Qohél­et wordt genoemd. Een Qohelet is iemand van de verga­dering, een predi­ker of een afgevaardig­de, hij die bijeen roept.

Verder weten we niets over de schrijver. Hij was waarschijnlijk een man op rijpere leeftijd, die niet alleen terug keek op zijn voorbije leven en wat de algemeen gelden­de menselijke wijsheid daarover zegt, hij deed meer. Hij trok zijn eigen levenservaring open naar het geloof van Israël. En dat is: Jahweh is trouw aan zijn volk! Wat heeft een mens dan aan al dat tobben en zwoe­gen onder de zon?

Vandaag lezen we één van zijn meest bekende spreuken: Havel havelim akol havel ! Alles is ijdel. Letterlijk: alles is rook, dus verganke­lijk en vluchtig als de wind! Op de keper be­schouwt is alles lucht en wind en al ons “tobben, ploeteren en zwoegen” (Lc 2,21) is tot vergankelijkheid gedoemd. En dan passeert hij in revue alles wat een rol speelt in het le­ven: rijkdom, schoon­heid, plezier, lekker eten, weelde, Wein, Weib und Gesang, waaruit dan nog eens blijkt dat hij zeker geen groentje meer was toen hij zijn boek schreef. Hij slaat niets over: macht, onrecht, eenzaam­heid, seksualiteit, welstand, ken­nis en weten­schap, sparen en oppotten,…

Hij zet het in zijn boek alle­maal op een rij en steeds ­komt hetzelfde refrein te­rug: Ha­vel ha­ve­lim akol ha­vel! Alles is ijdel, vluch­tig, alles vergankelijk. Men zou er na twee hoofdstuk­ken de moed bij verlie­zen. Het lijkt wel één zwartkijke­rij. Men­sen die zo rea­listisch naar het leven kij­ken, lopen de kans te verzu­ren en voor ande­re men­sen een kwel­ling te wor­den. En dat kan toch de be­doeling ­van de Bijbel niet zijn.

Desalniettemin herkennen wij daar een groot stuk van onze eigen levens­ervaring en van onze westerse samenleving in. De grote meesterver­ha­len van wel­eer doen het niet meer: gods­diensten en ker­ken lijken op de dool, ons rechtssys­teem functio­neert niet meer zoals we het wen­sen, ­­we zoeken naar nieuwe poli­tieke cul­tuur, naar een voetbal­match gaan is een levensge­vaar­lijke onder­neming, de soci­ale zekerheid is al lang geen zeker­heid meer, de rockfesti­vals ver­d­oven de mensen voor enk­ele uren of da­gen,… maar nadien komt de kater en is het ontwaken bitter. Dan valt men terug in zinloos­heid, gevoel van onbehaag­lijkheid ondanks de verzadi­ging. Mensen worden moedeloos, vervreemden, voelen zich nutteloos en onbegrepen.

Sommigen vluchten in kalmeermiddelen, drugs, alcohol, pijnstil­lers, sekten, astrolo­gie en alles wat verstrooit. “Er gebeurt niets nieuws onder de zon” (Pred 1,9), zuchtte onze Predi­ker al enkele verzen en eeuwen geleden.

Oef ! Ga ik nu eindigen in een donderpreek?

Natuurlijk niet! Wie ben ik om dat te doen? Want dààr schuilt natuurlijk altijd dat kleine addertje in het gras, als men uit de Bijbel zo maar wat kleine stukjes plukt.

Ook bij Prediker is er méér te lezen dan het kleine stukje gejank van vandaag. Reeds op het einde van het twee­de hoofd­stuk slaat zijn toon heel merke­lijk om: “Niets is er beter voor de mens dan eten en drinken, en zelf genieten van zijn werk. Want ik heb begrepen dat dit uit Gods hand komt!” (Qo 2,24)

En hier zijn wij aangeland waar we moesten komen en waar Jezus ons voor waarschuwt: “Geen enkel bezit kan uw leven veilig stellen”. (Lc 12,15) “Zoek eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid. Al de rest zal er u bovenop gegeven wor­den”. (Mt 6,33) Wat wij gebruiken als smaak­maker kan nooit de hoofdschotel zijn; noch de wijn als de gewo­ne dagelijk­se dorstles­ser. Wij mogen dus zeker niet het belangrijke met het bijkomstige of het over­tollige verwarren.
Jezus sluit zich bij deze waar­heid en menselijke wijsheid aan. Geen enkel bezit, al is dat gezondheid, kracht, rijkdom, macht,… kan ons leven veilig stel­len. We mogen er van genieten - met volle teugen als het kan - maar het moet tegelij­kertijd dienen voor het welzijn van onszelf en van onze medemensen.

Wij zijn zo gewoon geweest de waarde van de eigendom te verdedigen, dat wij alleen nog maar in de eerste persoon enkelvoud kunnen denken. Het komt veel te weinig voor dat iemand naar-de-anderen-toe bezit, dat hij of zij op zo’n wijze verantwoordelijkheid opneemt voor zijn bezit, dat het ook waarde krijgt voor andere mensen. Onze bekommernis gaat meestal niet veel verder dan wat-heb-ik-er-aan. Of iemand anders er ook wat aan heeft, is een vraag die eigenlijk veel te weinig tot ons doordringt.

In de parabel die Jezus ons hier voorscho­telt, klaagt Hij de spaarzaam­heid niet aan. Hij stelt de heb­zucht aan de kaak. Men­sen zijn altijd be­koord geweest te denken dat ze met geld alles kun­nen berei­ken. Daarom willen ze steeds meer verga­ren, ver­wer­ven, op­stapelen, bezitten. Ze zitten erop, soms letter­lijk ! - met heel hun bre­de kont. Nooit genoeg, altijd maar meer hebben. En we wéten dat we het niet kun­nen meene­men. Achter de lijkwagen ­rijdt geen auto van Secu­rity ­met de cen­ten…

Let eens op hetgeen die rijke man, met zijn enorme oogst, zegt in de pa­rabel van van­daag. Eigenaardig genoeg voelt hij zelfs zijn rijk­dom aan, als een te­kort: “Wat moet ik doen? Ik heb geen ruim­te om mijn oogst op te ber­gen” (Lc 12,17) Heel iro­nisch en bijna lachwek­kend schets die rijke zichzelf als iemand “die niet heeft”, als een ar­me. Hij is wel rijk, maar hij voelt zich arm.

De broosheid van het bestaan leert ons dat hetgeen wij zelf – eventueel met heel veel noeste arbeid – hebben opge­bouwd, toch vroeg of laat zullen moeten opgeven. “Een doods­hemd heeft geen zakken”, zegt de Vlaamse wijsheid. Maar die wijsheid kennen vele men­sen blijkbaar niet. Jezus zegt: “Al die voor­zieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan ?” (Lc 12,20)

We zijn inderdaad maar dwa­ze mensen wanneer wij uitsluitend ons be­staan bou­wen op bezit. Vandaag in deze tijd leven we in een versneld tempo. Het leven is enorm jachtig, hevig, vluchtig. En ondanks de verhoogde levensverwachtingen branden we vlug op. Het stemt tot nadenken. Bij mij althans.

Heel onze omgeving schijnt ons dan toe te roepen: profiteer er van, ge­niet van het leven met volle teugen, want morgen zijn we dood. “Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?” (Lc 12,20)

Bij anderen, bij diegenen die putten in de Wijsheid van het Woord Gods, groeit er iets diepers, er komt aandacht voor het “en toch !” En toch is er meer. En toch is er iets diepers. En toch moet er een ach­terkant of een binnenkant zijn aan de dingen, aan hetgeen we meemaken. “En toch” !… Het is de noodkreet van de eerlijke en wijze mens in onze tijd. Dit “en toch!” is voor hem of voor haar misschien een andere en eigentijdse benaming voor God ? voor de Totaal Andere ?

Prediker heeft in zijn boek alle moderne vragen gesteld. Rijk­dom, zwoegen, roem en aanzien, seksualiteit, wetenschap, ken­nis, macht,.­.. het zijn allemaal gaven van het leven. We mogen er gerust gebruik van maken. We mogen er zelfs van genieten. Want God heeft ze ons gege­ven en gegund.

Maar ze waarbor­gen ons niet het geluk. Jezus, maar ook Predi­ker reeds en na­dien Paulus, zullen nog verder dan deze wijs­heid gaan. Het echte bezit dat ons gelukkig maakt is de vriend­schap en liefde van God voor ons. Het zal voor de christenen tot een nieuwe bestaans­wijze worden verhe­ven. Een nieuwe wijze om met de mensen, met de dingen en met de gebeurte­nissen om te gaan. “Gij hebt de oude mensn met zijn gedragingen afgelegd en u bebleed met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht”, zegt Paulus “daar is alleen Christus alles in allen."(Kol 3,10-11)

Zoeken in Preken Online