* De leerlingen zien Jezus bidden en vragen Hem dat Hij het hun ook leert. Ze beseffen dat zij anders bidden. Jezus leert hun het Onzevader. Hij gaf hiervan het grondstramien. Bij Lucas vinden we de korte versie, bij Matteüs de volledige tekst ongeveer zoals wij die gewoon zijn te bidden.
* Het merkwaardige is dat Jezus zijn leerlingen leerde bidden tot God met het woord “Abba” (lieve papa). Zo traden ze binnen in de intimiteit die Hijzelf beleefde als unieke Zoon van God. Het gebed van de christen is wezenlijk een deelname aan Jezus’ gebed. In dat gebed zijn ook wij bevoorrecht om als zussen en broers van Jezus tot zijn Vader te mogen bidden. Maar dit veronderstelt dat we binnentreden in zijn gezindheid, in zijn oriëntering, in de verlangens die Jezus bezielden. Dit vergt bij ons bekering. Daarom openen wij dit gebed in de liturgie vaak met de woorden: “Aangespoord door een gebod van de Heer en door zijn goddelijk woord onderricht durven (!) wij zeggen…”
1. De eerste drie beden richten ons volledig en in de eerste plaats op God zelf.
-
Voorop staan de drie Uw-gebeden: Geheiligd zij Uw Naam, Uw Rijk kome, Uw Wil geschiede… De Vader staat centraal. We leggen het zwaartepunt buiten onszelf. Die heroriëntering doet ons onszelf verlaten om alleen te zoeken wat de waarheid, de diepste zin der dingen, aangaat. Het gaat om Gods visie en Gods plan. Die drie beden dekken eenzelfde vraag: dat God overal mag gekend worden en overal zijn plaats mag krijgen. Dat zijn Rijk mag komen; dan komt de ware genezing van de wereld: “Zoek eerst het Rijk Gods en de rest wordt u erbij gegeven”. Dit is juist zijn Wil die altijd heilswil is. Niet zozeer dat wij zijn Wil op eigen kracht volbrengen, maar dat wij Hem toelaten zijn heilswil door te zetten door ons heen, als instrumenten van zijn genade. Er staat immers niet: ‘mogen wij uw Wil volbrengen’, maar dat ‘uw Wil geschiede op aarde zoals in de hemel’. En die verwijzing naar de hemel is een verwijzing naar de bron, het ware uitgangspunt.
-
Dat God centraal staat was voor Jezus evident. Hij leefde vanuit die verborgen realiteit. Bij Hem was er iets dat ons totaal overstijgt. Hij beleefde onophoudelijk de levende gloed van de Drie-eenheid die voor ons ondoorgrondelijk is. Zonder de Vader kon Hij niet, zoals de Vader evenmin kon zonder Hem. De Geest was hun bindteken in een onvoorstelbare liefde. Daarom bad Jezus alleen: ’s nachts, in het gebergte, in de woestijn,… eenzaam. De leerlingen zagen Hem bidden. Ze waren verwonderd over Hem. Voor Jezus was de uiterlijke gebedsstijl niet van zulk groot belang. Het ging om de binnenkant, het gebed van het hart. Zijn Ik-U-relatie met God. Het authentieke van mens en wereld. Daarbij was zijn gebed doordrongen van zijn bewustzijn als Mensenzoon en Messias. Zijn gebed was vanuit de Vader afgestemd op zijn bijzondere zending in deze wereld.
2. Aanstonds daarna vallen we terug op de grenzen van ons eigen mens zijn.
- Dat zijn de ons-vragen. Het Onzevader loopt nu over een keerpunt. De cadans wordt niet meer teruggevonden. Van de verheven beden in de derde persoon: ‘geheiligd zij… uw rijk kome… uw wil geschiede…’ vallen we in de korte beveltoon in de tweede persoon: ‘geef ons… vergeef ons… leid ons niet…’. Het Godgerichte ‘uw’ verdwijnt voor het egogerichte ‘ons’. We dalen af in het besef van eigen armoede, beperktheid en zwakheid. We mogen smeken, want God is een persoonlijke God die wil luisteren naar zijn volk. Doch we spreken onze nood uit in het licht van de eerste drie beden. De oplossing die we vragen zien we niet los van het heilsplan van God. Hij weet wat we uiteindelijk nodig hebben - “Geef ons heden ons dagelijks brood” doet ons staan in de rij van de armen. Die klacht van de schooier om een homp gerstebrood kunnen we maar tot de onze nemen als we zelf tot die armen willen behoren. Dit gebed dwingt ons onszelf met de geestelijk armen en materieel armen één te weten. - “Vergeef ons onze zonden zoals ook wij anderen vergiffenis schenken” maakt ons bewust van eigen zondigheid. “Als wij beweren zonder zonde te zijn, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons” (1 Joh 1,8). We zijn vaak als een zieke die zijn ziekte ontkent (J. Romains, “L’ homme est un malade qui s’ ignore”). Die zin maakt ons tegelijk wakker voor Gods barmhartigheid en voor onze nodige vergevensgezindheid, Dit staat centraal in het evangelie. - “En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons…” zegt ons dat de beproeving waar we doorheen moeten ons niet fataal mag zijn. Bekoringen zijn nodig in ons geestelijk groeiproces, ze nodigen ons voortdurend uit om te kiezen. Ze zijn een test. Die zin maakt ons ervan bewust dat er echt een macht van het kwaad bestaat, en we vragen dat die ons niet in het verderf zou storten.
* Het Onzevader was de sleutel van Jezus’ prediking. Het was bestemd voor wie met de volle inzet van zijn leven het Rijk Gods zocht: niet zijn eigen belang maar de dingen van God in de anderen. Het Onzevader omvat ons levensprogramma. Het is de norm van ons bidden en ons leven (Th. v. Aquino), de norm van ons geloven (Gr. v. Nazianze). Alle andere gebeden zijn daarvan een afleiding. Het gebed van Charles de Foucauld: “Vader, Ik verlaat mij op U” gaat terug naar “Uw wil geschiede”. Het Onzevader is oneindig volmaakter dan al ons eigen poëtisch fabricaat, omdat dit gebed dat Jezus ons leerde ons binnenvoert in de wondere logica van Gods voorzienigheid.